Abdij Lilbosch – Echt
Cisterciënsermonniken

  1. Home
  2. /
  3. Uncategorized
  4. /
  5. 10e Zondag jaar B;...

10e Zondag jaar B; 9 juni 2024

Broeders en zusters,
het zal u niet ontgaan zijn in de lezing over Adam en Eva. Het gaat ook over ons. Beiden werden verleid door de slang om gelijk te worden aan God. Worden ook wij niet door de technische mogelijkheden en wetenschap verleid om onze wereld met al wat daarop is zelf in handen te nemen alsof wij pijn en verdriet en dood kunnen tegenhouden en geluk zelf kunnen maken? We doen het zelf misschien wel niet maar de influencers zeggen het ons dagelijks en dus wordt er ook zo gehandeld. Het drama van Adam en Eva is eigenlijk dat zijn hun kinderlijke onbevangenheid verliezen en de Bondgenoot van de mens – God – wordt een rivaal voor wie ze bang zijn. In onze samenleving is ook welhaast geen plaats meer voor onbevangenheid. Het grote verhaal van de Bijbel over God waar wij met ons persoonlijke verhaal een plaats in hebben  wordt ingewisseld voor weten en begrijpen: de ander is mijn concurrent geworden. Met een enkele vraag roept God Adam: de mens ter verantwoording: mens waar ben je? Een herkenbare reactie volgt: de een schuift de schuld op de ander, op de vrouw, op de slang, op de wetenschap, de influencer, de TV, de krant op ze.

 Het lijkt me duidelijk dat waar de verhouding tussen God en mens verstoord wordt dat ook gevolgen heeft voor andere verhoudingen: tussen mens en dier, tussen mens en plantenrijk, tussen mens en mens.

Het geweldige nieuws is echter dat God zich niet tot een rivaal. Tot een concurrent laat bombarderen. Elders lezen we dat God van huiden kleren maakte voor Adam en Eva. Hij blijft naar de mens zoeken als partner, als bondgenoot. We leren God kennen in mensen omdat we allen geschapen zijn naar Zijn beeld en gelijkenis dwz dat we allemaal vanuit onze schepping de openheid van God naar elkaar in ons hart dragen. Daar waait Gods Geest. En die Geest van God komen we  vandaag op een unieke manier tegen in Jezus.

Het antwoord van Jezus op de beschuldigingen dat Hij een bondgenoot is van de satan is niet mals. Hij noemt hun handelwijze onvergeeflijk omdat zij weigeren onder ogen te zien dat God in Hem aan het werk is. Op die manier plaatsen zij zich buiten Godsbondgenootschap met de mens, buiten Gods barmhartigheid zelfs. We horen de parallel met wat wij nu meemaken. God wordt eerder als een rivaal beleefd en afgeschilderd. Deze houding loopt door alle verhoudingen heen. Toen en nu. Ook Jezus’ familie hoort, zo hoorden we. Kennelijk niet tot zijn aanhangers of volgelingen. Een hele tere kwestie. Ze denken zelf of hebben horen vertellen dat Hij niet goed bij zijn verstand is, gelet op alles wat Hij doet en zegt. Ze bedoelen het wellicht niet verkeerd en willen ze Hem tegen zichzelf in bescherming nemen door Hem mee naar huis te loodsen. Of is het toch de eer en de goede naam van de familie? In onze dagen klinkt het zo: wil jij nog bij die club horen, doe je daar nog aan mee?

Wat ons hier mag treffen is dat ook Jezus zich niet tot concurrent of rivaal laat bombarderen. Hij verleent zijn tegenstanders geen zeggenschap over zijn zending, zijn boodschap. Zonder in de gevoeligheid van de familierelaties te willen treden is het wel een heel opmerkelijke passage in het evangelie dat we zojuist hoorden als er verteld wordt dat er iemand naar Jezus toegestuurd wordt om Hem te roepen omdat zijn moeder en broeders naar Hem vragen. Het is de tweede keer dat zo’n oproep met dezelfde woorden klinkt maar nu met Jezus’ moeder erbij. Kennelijk was dat de eerste keer niet zo. Is het dan zo erg met Hem gesteld dat als een laatste redmiddel Maria erbij gehaald wordt om Jezus tegen zichzelf te beschermen of toch de familie eer te redden. Als het om geloven of niet geloven gaat kan het gaan tot op het bot in verdeeldheid. Maar ook nu laat Jezus zich niet in de rol van rivaal dwingen. Hij snijdt een diepere laag aan. Mijn moeder en mijn broeders zijn zij die de wil van God volbrengen. De eerste die Gods wil volbracht heeft is toch Maria. Er is een intense verbondenheid tussen de moeder en de Zoon maar ook de afstand tussen haar en de Zoon van de Vader, de Gezondene van de Vader. Is het niet juist Maria die in de school van het leven het geloof heeft moeten leren en tot wasdom laten komen? Met het beantwoorden van haar ja-woord kwam er een groeiende overgave en is er geen enkele tegenstelling tussen moeder en Zoon. Beiden hebben volledig ja gezegd. Vanuit dit perspectief klinkt het slot van het evangelie ook niet als een afwijzing maar als een bemoediging en als een woord van troost voor ons die willen leven in de kring van Jezus volgelingen en leerlingen willen zijn.

Br. R.

Scroll naar boven