Abdij Lilbosch – Echt
Cisterciënsermonniken

  1. Home
  2. /
  3. Uncategorized
  4. /
  5. 12e ZONDAG DOOR HET...

12e ZONDAG DOOR HET JAAR: B: MC. 4,35-41: 23-6-2024

Broeders en zusters.

“Meester, raakt het U niet dat wij vergaan?” Jezus leerlingen zijn in paniek: ze waren aan boord gegaan, maar er was een “hevige storm opgestoken en de golven sloegen over de boot, zodat hij al vol liep”. We mogen onszelf gerust herkennen in de leerlingen, want hun angst is de onze. Bang zijn we allemaal wel eens. Als het al niet om ons eigen hachje gaat, dan wel om dat van anderen: de Kerk of de gemeenschap waartoe we behoren, een gezin dat in zwaar weer verkeert, of de grote wereld, dat huis, waarin we allemaal wonen en waar we deel van uitmaken. Bent u er gerust op dat over, pakweg 10 jaar, de wereld nog steeds dezelfde is als die, die we nu kennen? Het zijn wel erg onzekere tijden met verschuivende machtsverhoudingen. Landen met een democratisch politiek bestel komen te staan tegenover meer autocratische landen…

“Meester, raakt het U niet?” De vraag is van alle tijden. Er gebeurt zoveel ongerijmpts, zoveel waar je met je verstand niet bij kunt. Heeft God er wel goed aan gedaan aan al dat slechte en verwoestende dat er in de wereld is, zoveel ruimte te laten? En daar dan ook eens aan toe te voegen dat Hij zelf een goede God is?
Ruimte heeft God inderdaad gelaten. Aan de mensen, aan ons. Om het goede te doen, om het geloof bijvoorbeeld toe te laten in je leven. Daar KUN je voor kiezen, dat mag je zélf beslissen. Mij persoonlijk raakt die vraag van de leerlingen allermeest. Volgens mij bevat ze de kern van alle levensvragen waar wij mensen mee worstelen. “Is het U om het even hoe angstig en verdrietig wij zijn? Ráákt ons ongeluk U dan niet?”

Wat wij, misschien gemakshalve, vergeten, is, dat Jezus zelf ook in die boot zit. Hij maakt déél uit van het verhaal. Om het effect te vergroten en het contrast tussen Jezus zelf en de leerlingen te onderlijnen merkt Marcus op dat Jezus “aan de achtersteven op het kussen lag te slapen”. Hij slaapt niet alleen, nee, Hij ligt ook nog eens op een kussen! Toe maar! Jezus is niet alleen helemaal echt mens – een mens behoeft slaap – maar Hij is tegelijk ook zo volslagen ánders. Bij al dat toch zo gewone en door en door menselijke en humane dat Hij vertegenwoordigt is er ook nog iets dat Hem totaal doet verschillen van ons, gewone stervelingen. Hij heeft een geheim dat Hem zó eigen is, en waarmee Hij zó vertrouwd is, dat Hij altijd ook helemaal ánders is als wij. Dat Hem onderscheidt van ons en waardoor Hij een waar mysterie is. En zal blijven.
En dat geheim is natuurlijk: Zijn Vader. Hij houdt niet op, Zijn leven lang, Zich in dát geheim onder te dompelen. Maar de glans, de kracht en de diepte van dat geheim verwijdert Hem niet van de mensen; nee, integendeel: het maakt Hem alleen maar nóg aantrekkelijker, en toegankelijker; ons nóg meer nabij. Zijn trouw aan de geloofstraditie: in Zijn spreken over de Wet en de Profeten rijgt Hij soeverein alle draden van het Oude Verbond tot een hechte éénheid aaneen. Helemaal TROUW aan de Schrift, maar ook vol-ledig NIEUW als de Zoon die Hij was. Onvoorstelbaar maar waar is het dat Hij voortdurend alles en iedereen herschept of vernieuwd. Jezus’ hele leven, Zijn hele persoon: het is allemaal zó aantrekkelijk! Schoonheid boven alle schoonheid: DAT is Hij eigenlijk. En DAAR heeft Hij dat allemaal vandaan: van bij Zijn Vader. Zelf beweert Hij dat Hij niets uit Zichzelf heeft…

Jezus geeft ook antwoord op de vraag van de leerlingen “raakt het U niet dat wij vergaan?”: “Hij staat op, richtte zich met een dwingend woord” tot de elementen en “het werd volmaakt stil”. In deze ingreep, in dit wonder mogen wij ook een vooruitlopen zien op een andere, oneindig veel gevaarlijker storm. De storm van de Godsverduistering. Op het eind van Zijn leven, aan het kruis, zal Hij uitroepen: “Eloï, Eloï, lama sabaktani? Dit is vertaald: Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten”? (Mc. 15,34)
Het is hier waar Hij, plaatsvervangend, onze Godsverduistering doorleeft. ONS kwam het toe God als afwezig te beleven. Want: WIJ hebben misdaan, tegen God en tegen elkaar. Maar HIJ moest er aan lijden God te missen, allervertrouwds als HIJ met Zijn Vader was. Wij kúnnen aan die afwezigheid niet lijden, zo massief vreemd als WIJ aan God zijn. DAT voorrecht is voorbehouden aan de Zoon. Die kent de Vader.

Wij moesten ons maar bij Hem voegen: daar op die achtersteven. Op dat dikke kussen van Hem waarop Hij slaapt. Daar is vast nog wel plaats. En daar verwacht Hij ons ook. Amen.

Br. J.

Scroll naar boven