Abdij Lilbosch – Echt
Cisterciënsermonniken

  1. Startseite
  2. /
  3. Uncategorized
  4. /
  5. 12e ZONDAG DOOR HET...

12e ZONDAG DOOR HET JAAR: A: MT. 10,26-33: 25 JUNI 2023.

Broeders en zusters,

Er is een verhaaltje uit een bron die mij niet bekend is, en dat verhaaltje gaat als volgt:
“Twee vrienden liepen over een landweg, toen er plotseling een levensgrote beer uit het bos tevoorschijn kwam. Een van de mannen holde naar een dichtbij staande boom en zonder zich verder om zijn vriend te bekommeren, klom hij naar boven en bleef veilig tussen de takken zitten.
De ander begreep dat hij in zijn eentje geen enkele kans maakte tegen de beer; daarom liet hij zich op de grond vallen en deed of hij dood was. Hij had wel eens gehoord dat beren niets doen als ze denken dat je dood bent. Dus de man bleef zo stil liggen als hij maar kon, hield zijn adem in en hoopte dat zijn hart niet te luid zou kloppen.
Daar kwam de beer en begon aan hem te snuffelen: aan zijn neus, aan zijn mond, aan zijn oor, en tenslotte pokend en duwend aan zijn rugzak. Toen dacht het dier blijkbaar dat de man echt dood was, want met logge passen verdween hij weer in het bos.
Pas na lange tijd durfde de man op te kijken, maar tenslotte kwam hij overeind en riep naar zijn vriend: “Kom maar tevoorschijn”. Nog bevend van schrik liet deze zich uit de boom glijden en zei: “Ik zag de beer vlak bij je oor. Hij heeft je zeker een geheimpje verteld?” “Ja, antwoordde de ander, “maar het was niet veel bijzonders. Hij zei alleen maar dat ik geen vrienden moest kiezen die me bij het eerste teken van gevaar al in de steek laten”.

Het verhaaltje illustreert wat we net daarvoor, in het evangelie volgens Matteüs, kregen voorgeschoteld. Ze zeggen beide hetzelfde met andere woorden uit, namelijk: samen sta je sterk; alleen ben je hulpeloos en een makkelijke prooi. “Weest niet bang, wees niet bevreesd”, klonk het tot drie maal toe in het evangelie. En die oproep wijst al vooruit naar de allerlaatste woorden uit datzelfde evangelie: “Ziet, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de wereld”. Het is duidelijk: we hoeven niet bevreesd te zijn, want we staan er niet alleen voor.
Er is iemand naast ons komen staan. Door Zijn Menswording. Door Zijn sterven en verrijzen. Er is iemand náást ons komen staan. Een echte vriend nog wel. Iemand die niet is weggelopen, toen het gevaar zich aandiende. Die, integendeel, het gevaar op zichzélf heeft afgewenteld. Wij beginnen er ieder Eucharistisch Gebed mee: “Toen Hij werd overgeleverd en vrijwillig Zijn lijden op zich nam, nam Hij het brood, sprak de dankzegging uit…”. Jezus is niet gevlucht voor het onheil. Hij is het gevaar welbewust tegemoet getreden. Om ons in veiligheid te kunnen brengen.
In iedere Heilige Mis kunnen wij meemaken hoe de Vader zich over ons ontfermt, in de persoon van de Zoon. De Vader blijft ons Zijn Zoon schenken om in Hem alle gevaren van ons af te wentelen. God heeft Hem over: de Zoon in heel Zijn goddelijke heerlijkheid, voor iedere mens afzonderlijk, iedere dag opnieuw. En dat is ook nodig. Want steeds opnieuw lopen wij het gevaar het doel van ons leven voorbij te schieten. Verder verwijderd te raken van hetgeen ons aller levensbestemming is, namelijk: te delen in Gods leven.

“Weest niet bang. Weest niet bevreesd”: we hoeven niet meer bang te zijn, sinds Jezus ons heeft geopenbaard Wie God is. Wat liefde is en vriendschap. Geen angst hoeven we te hebben, want de strijd is gestreden en de zege is behaald. Angst voor mensen hoeft niet, want hun macht is, vergeleken met die van God, maar klein. Geen angst ook voor ons eigen duister, want de Zoon verandert het in licht. Geen angst tenslotte, dat wij zélf, ons eigen leven, niets zou betekenen: want voor God betekent het álles. “Iedere haar op ons hoofd” is door Hem geteld, en wij zijn Hem, vergeleken met “een zwerm mussen”, oneindig veel méér waard. Amen.

Br. J.

 

Nach oben scrollen