Abdij Lilbosch – Echt
Cisterciënsermonniken

  1. Startseite
  2. /
  3. Uncategorized
  4. /
  5. 16e ZONDAG DOOR HET...

16e ZONDAG DOOR HET JAAR: A: ROM. 8,26-27: MT. 13,24-30: 23 JULI 2023

Broeders en zusters.
“Opzij, opzij, opzij,
maak plaats, maak plaats, maak plaats,
wij hebben ongelofelijke haast.”
Kent u dat liedje nog? Het is afkomstig van Herman van Veen en kwam uit eind jaren 70. Eén ding is duidelijk: hij heeft geen tijd te verliezen en alles moet aan de kant, want er moet iets gebeuren, er moet iets komen. Opzij, opzij, opzij! Herman van Veen lijkt hier veel op de knechten uit het evangelie die het onkruid willen bijeengaren. Zij zien dat het goede zaaiwerk van hun meester gedwarsboomd wordt: er staat ook onkruid tussen de tarwe. Dat kan toch niet de bedoeling zijn! Opzij, opzij, opzij!!

De gelijkenis die Jezus vertelt verhaalt over het Rijk Gods, het gaat hier over Gód dus, en over wat echt belangrijk is in het leven. In dat Rijk van God heeft ook het onkruid zijn plaats: al is het dan niet omdat het door God gewild of gezaaid is. Jezus stelt alleen maar vast dat het er IS. Je kunt er niet omheen. We ervaren dat onkruid ook volop, er is zoveel onzinnigs waar we mee moeten dealen. In de grote wereld daarbuiten, maar ook: in ons eigen zélf. Het onkruid tiert grootschalig, maar is ook dichtbij.
Om dit onkruid te onderscheiden nemen we vaak onze gevoelens als maatstaf. Hoe voelen we ons bij iets of iemand? Zeker voor veel jonge mensen die zich met sociale media inlaten geldt dat, omdat ze zich zo slecht voelen, ze ook denken dat ze het in het leven ook slecht dóen. Ze falen, schieten tekort. We voelen dat de onzin of het onkruid ons continu besluipt en benadert, voortdurend op de loer ligt. Soms ook bagatelliseren mensen de gewetensnood die het onkruid hen bezorgt. Onze emoties en gevoelens nemen vaak een loopje met ons. Ze zeggen dat er niets aan de hand is; dat er niets is om ons in te verdiepen ook, en dat we alleen maar aan onszelf zijn overgeleverd. We staan er alleen voor, zeggen ze voortdurend, maar IS dat ook zo?

Is God niet altijd tegenwoordig? Is Hij afwezig, alleen maar omdat we Hem niet voelen? Wij ervaren onszelf, en ook ons bidden, als een mengeling van onkruid en tarwe. En uiteindelijk weten we niet meer waar we het moeten zoeken, zien we door de bomen het bos niet meer. Waar we het wél moeten zoeken is toch uiteindelijk weer: in ons eigen hart. De apostel Paulus sprak in de tweede lezing over “Hij die de harten doorgrondt”. Die ons hart doorgrondt, God zelf, heeft voorzien in die kluwen van gevoelens en twijfels die ons soms doen wanhopen. Hij wéét dat ook wij onze twijfels hebben aangaande onszelf en lijden onder de doornen van het onkruid. Zeker waar mensen hun verantwoordelijkheid nemen en het voor waar willen aannemen dat ze zelf het onkruid in hun leven wortel hebben laten schieten: daar stelt Hij Zich mild en vergevingsgezind op. Sterker nog: daar staat Hij graag borg voor diezelfde mensen.
Want het mooie en ongekende van onze God is dat Hij wel raad weet met het onkruid dat Hij bij Zijn kinderen aantreft door Zijn Zoon te vragen steeds weer al die kwetsuren op Zich te nemen. In diezelfde lijn wist Paulus: “Evenzo komt de Geest onze zwakheid te hulp. Want wij weten niet eens hoe wij behoren te bidden, maar de Geest zelf pleit voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen.” De gelijkenis over het onkruid en de tarwe pleit voor gebed en geduld: bij uitstek zachte krachten. Geduld: naar anderen toe, maar zeker ook naar onszelf toe. En gebed: hopen op het bidden diep in ons, van de Geest die ons vast verankerd in de liefde tussen Vader en Zoon.
God heeft al voorzien in al onze nood. Konden we dát maar geloven: dat er al gebeden wordt in ons hart. Dat we dáár alleen maar mee hoeven in te stemmen – door een enkel woord Abba, of door Jezus’ Naam te noemen, of Hem Heer te noemen. Natuurlijk houdt een dergelijk gelovig instemmen ook in dat je bereidt bent de ingevingen van diezelfde Geest in te willigen. Je wilt je voortaan voegen naar Gods wil.
“Maak plaats, maak plaats, maak plaats.” Maar: waarvóór ook al weer? De grote vraag is altijd weer: wat WIL ik met mijn leven?” Laten we plaatsmaken voor Hem Die ons op wil tillen tot bij Hemzelf. Amen.

Br. J.

 

Nach oben scrollen