Abdij Lilbosch – Echt
Cisterciënsermonniken

  1. Startseite
  2. /
  3. Aktuelles
  4. /
  5. Die Predigt der Woche

ZONDAG 2 VAN DE ADVENT : A : Mt. 3, 1-12 : 4-12-2022 :

 

Broeders en zusters,

Dit weekend en ook morgen zal voor menig huisgezin in het teken staan van Sinterklaas. Vooral een kinderfeest. Een feest van verlanglijstjes. En vol verwachting klopt het kinderhart:  zullen mijn wensen worden vervuld? Zeker: een kinderfeest, maar ook een spiegel voor ons volwassenen. Minstens onbewust zijn we immers vaak nog kinderlijk. We hebben zo onze verlanglijstjes voor ons leven. En vol verwachting klopt ons hart. Of, omdat die verlanglijstjes niet vervuld werden, zijn we zo teleurgesteld, dat we alle verwachting maar hebben weggegooid, en om zo te zeggen ‘doffe’ mensen zijn geworden, zonder verwachting. In beide gevallen gingen we ervan uit, dat onze verlanglijstjes verstandig en wijs waren. We weten echter bij kinderen, dat hún verlanglijstjes vaak niet zo verstandig zijn. Zou dat bij ons volwassenen anders zijn?

Kerkelijk vieren we vandaag de 2e Zondag van de Advent. Advent is dé tijd van verlangen en verwachting. Maar tegelijk van bekering, waar het evangelie vandaag zo fors over handelde. Die twee, verlangen en bekering, horen namelijk samen. Het gaat om bekering wég van onze eigen verlanglijstjes, zodat de verwachting van ons hart vrij wordt gemaakt en kan openkomen voor het onverwachte, voor wat God ons wil schenken. Voor  geschenken van God geldt in het algemeen: bitter in de mond, zoet in het hart. Dat wil zeggen: aanvankelijk vallen ze tegen en geven ze een bittere smaak. Ook al daarom stonden ze niet op ons verlanglijstje. Gods geschenken zijn veelal harde kost. Je moet er lang en hard op kauwen, wil je ze kunnen doorslikken en verteren. Maar dán, achteraf, blijken ze voedzaam en heilzaam. Ja zelfs zoet in het hart. Want ze blijken je tot wijzere mensen te hebben gemaakt, nauwer verbonden met de waarheid en het mysterie van het leven, nauwer verbonden ook met de Gever, met God. Want diep in elk geschenk van God zit steeds ook Zijn geschenk-bij-uitstek mee verpakt: de heilige Geest, die vuur en liefde is.

Vandaag geeft God ons in het evangelie enkele geschenken via zijn koerier Johannes de Doper. Allereerst het geschenk van een dreigende vermaning. Een vermaning horen we niet graag, laat staan een dreigende vermaning, en al helemaal niet een dreigende vermaning als geschenk. Maar we krijgen hem wel, en we krijgen hem als een Godsgeschenk. Gods vermaning via Johannes de Doper houdt in: pas op, je leven kan ook mislukken, je kunt wegen gaan waarop je langzaam maar zeker jezelf en je diepste bestemming verliest.  Bekeer je dan. Kijk eerlijk naar de vruchten van je leven, want daaruit blijkt het beste in welke richting je gaat. En de vruchten van je leven zijn dan niet wat je hebt opgebouwd en verwezenlijkt. Dat zijn de werken van je leven. Maar daarnaar vraagt de dreigende vermaning vandaag niet. Het gaat om de vruchten van je leven: dat is alles waaruit blijkt of je het geheim en de kracht van het leven, van jouw leven, zó hebt vorm gegeven en doorgegeven dat ook anderen ervan kunnen plukken en gedijen, zoals van de goede vruchten van een boom. In die richting moet je gaan, anders loop je mis.

Het tweede Godsgeschenk vandaag is dat van een belofte. God belooft komende te zijn. Hij belooft op een nieuwe manier onder ons te komen. Ons leven hoeft geen vlak, uitzichtloos en dof leven te zijn. Door zijn belofte dat Hij komende is, schenkt God ons te leven in grote verwachting. Ook dat geschenk zal niet op het verlanglijstje van ons leven hebben gestaan en ons dus in eerste instantie teleurstellen. Wij ervaren alleen vervulling van onze wensen en verwachtingen als een geschenk. En nu schenkt God ons juist geen vervulling maar verwachting: méér en intenser en  uitgezuiverder verwachting. Een verwachting bevrijd van onze eigen verlanglijstjes, opdat ze zo wijd en open zal worden, dat God kan geboren worden, niet alleen in de kribbe van Bethlehem, maar ook in ons. Zó krachtig en diep is het te mogen leven in een bekeerde en bevrijde verwachting: een steeds intenser wordende verwachting als Gódsgeschenk.

Amen.

br. M

 

1e ZONDAG VAN DE ADVENT : A : 27 NOVEMBER 2022.

Met deze eerste zondag van de Advent begint het wachten op de viering van de herdenking van Jezus’ geboorte in Bethlehem. We hebben nog vier weken te gaan en vandaag  kunnen we ons de vraag stellen hoe we deze tijd van wachten doorbrengen. Ongetwijfeld gaan onze gedachten uit naar een mooi Kerstfeest en de vraag wat we daarvoor nodig hebben. Nodigen we familie of vrienden uit? Zijn we druk met het menu van de Kerstdagen? Wie door de winkelstraten loopt ziet een nostalgisch beeld van wit gespoten kerstbomen en etalages met een hoog wintereffect: sneeuw  en sleeën. Eigenlijk zou je zeggen: niet meer van deze tijd. 

In de liturgie van deze zondag horen we een ander geluid zo lijkt het maar sluit toch haarfijn aan bij wat we zien en meemaken als we niet verder komen dan de drukte van het menu en nostalgische koude winters : zoals het ging in de dagen van Noach: zoals de mensen doorgingen met eten en drinken, met huwen en ten huwelijk geven en niets vermoedden totdat de zondvloed kwam en ze wegrukte. Het evangelie lijkt een flinke spelbreker in het zoete meedeinen op de zorg om toch vooral van Kerstmis een mooi feest te maken.
Natuurlijk is er niets tegen een mooi en feestelijk Kerstfeest. Integendeel. Maar ten diepste gaat het om een ontmoeting en wel een heel persoonlijke ontmoeting met de geborene: Jezus. En in deze tijd van wachten zal de intensiteit van de verwachting ook de graadmeter blijken te zijn van onze verbondenheid met Hem. En andersom: de kracht en de authenticiteit van onze verbondenheid met Jezus bepaalt ook de sterkte en de invulling van onze verwachting. Zo krijgt de Advent een invulling die ons verder en dieper leidt omdat Jezus de Komende is: Hij komt naar ons toe en om Hem niet te missen spreekt het evangelie vandaag over waakzaamheid omdat de Komende, Die er al is, nog op twee andere momenten zal komen: en wel op het einde der tijden als Hij alles zal voltooien en als Hij komt in het einde van ons leven hier op aarde.
Daarom is deze Adventstijd elk jaar als het ware een stage periode voor alle christenen. Weest waakzaam want je weet niet op welk uur de Heer komt. Advent wil ons inoefenen om altijd te leven in de tegenwoordigheid Gods. Om die waakzaamheid gaat het.

Hoe dramatisch de woorden van het evangelie ons ook in oren klinken: het gaat nog steeds om de ontmoeting met Jezus die voor ons een vreugde te weeg brengt die groter is dan alles wat we zouden kunnen verzinnen als een bijdrage aan een feestelijk Kerstmis. Waar Hij niet het middelpunt is door onze verbondenheid met Hem valt eigenlijk niets te vieren. En dat beseffend worden wij tot mensen van dankbaarheid voor de woorden uit de heilige Schrift die Jezus eigen woorden zijn. Onze tijd van wachten op Zijn komst wordt zo een tijd van werken aan deze verbondenheid in stilte en gebed, overweging en meditatie en daar tijd voor vrijmaken om ons bewuster te maken dat we leven in Zijn tijd, om ons bewuster ervan te maken te leven in Zijn tegenwoordigheid die Licht brengt in eigen leven en door ons ook licht brengt in het leven van anderen: Hij wordt geboren voor alle mensen.
Zo wordt de Advent een uitzien naar: en naar  Jesaja luisterend ons aansluitend bij zijn visie: Kom, laat ons optrekken naar de berg van de Heer. Hij zal ons wegen wijzen. En dan ziet hij dat zwaarden omgesmeed worden tot ploegijzers en speren tot sikkels. Kom, laat ons wandelen in het licht van de Heer.

Advent is de uitnodiging opnemen, aannemen dat vrede mogelijk wordt, meer mogelijk wordt als we de Ander – God – verwachten in Jezus die ons uittilt boven ons menselijk kunnen. En ook bij ons lukt dat maar als we de stilte zoeken om het geheim te ontdekken dat Jezus er al is en het om Hem gaat. Teveel schreeuwen mensen tegen elkaar dat het wel degelijk over henzelf gaat: mijn recht, mijn gelijk, mijn werk, mijn loon, mijn vrijheid. Mijn vrijheid eindigt waar de vrijheid van anderen beknot wordt of mijn vrijheid ten koste van anderen gaat. Als we in de huid van de profeet Jesaja kruipen dan beseffen we dat Advent ook wil zeggen: dat we nooit moe worden onrecht te herkennen en aan te klagen en met de geloofszekerheid de mensen toe te wensen: alle goeds. Advent roept op om aan mensen alle goeds te doen. Gods geboorte in Jezus is betrokken op alle mensen. Die diepte en reikwijdte heeft de Advent als voorbereiding op het feest van Kerstmis dat we zo graag en er ook oprecht naar verlangend dat het een feest van vrede mag zijn.
Leven in Gods tegenwoordigheid helpt ons hier elke dag aan te bouwen. In verbondenheid met de Levende als goede vriend verdwijnt  de angst voor de wakende woorden dat de Heer zich in ons leven  onverwacht kan aandienen. We hebben de vervulling van al onze verlangens en de zin van ons leven ontdekt in de Komende die ons rust geeft en aanzet tot een leven van navolging. Misschien denken we: daar ben ik niet groot genoeg voor. Of beter gezegd: daar ben ik niet klein genoeg voor. Waar God opnieuw geboren wordt gebeuren wonderen.
Amen.

br. R.

CHRISTUS KONING : C : Lc. 23, 35-43 : 20 NOVEMBER 2022

Broeders en zusters,

Christus Koning als een eigen feest is nog niet zo oud. Het is pas ingesteld in 1925. Andere liturgische feesten zijn veel ouder. Maar in die jaren ’20 van de vorige eeuw, in het vacuüm dat de Eerste Wereldoorlog had achtergelaten, als er alom de roep komt om een sterke man die weer orde in de chaos kan scheppen, en er de bereidheid en zelfs de behoefte groeit om fascistisch-quasi-religieus zo’n sterke man blind te volgen, acht de toenmalige Paus, Pius XI, het nodig daar een krachtig NEE tegenover te stellen: NEE! Chrístus, en Christus alléén, is de ware koning van tijd en eeuwigheid, en niets en niemand anders!  Die specifieke ontstaanstijd van het feest van Christus Koning is intussen min of meer voorbij. Toch is het feest nog steeds actueel. Ook in onze huidige cultuur melden zich heersers – heel veel zelfs! – die met een onaantastbaar aura omgeven zijn. In onze huidige cultuur is elke mens zichzelf tot koning. Elke mens beslist zelf over de zin of zinloosheid van z’n leven: het absolute koninkrijk van het zelfstandige, zelfredzame individu. Ook hier moet een NEE tegen klinken: NEE: niet is iedere mens zichzelf tot maat, Christus is de maat van jouw leven; Christus, en Christus alleen, is de ware koning van jouw leven, en niet jij zelf!! Het gaat er niet om, wat er aan goeds zit in zelfstandigheid en zelfredzaamheid te ontkennen. Het gaat erom, het eenzijdige en overtrokkene, het ideologische en dus afgodische ervan te doorzien. Grote stukken van ons menszijn vallen hier buiten beeld: stukken die dieper in het geheim van het menszijn reiken dan zelfredzaamheid en onafhankelijkheid, stukken die openstaan voor het koninklijke van Christus, die ons tot hoogste en laatste maat is.

Het evangelie van vandaag tekent dat koninklijke van Christus verder uit. Drie keer wordt daar de gekruisigde Jesus tot zelfredzaamheid uitgedaagd. En drie keer gaat Jesus er niet op in. Eerst spotten de overheidspersonen: Anderen heeft Hij gered; laat Hij zichzelf eens redden als Hij de Uitverkorene van God is! Kort daarop voegen ook de soldaten Hem spottend toe: Als Gij de koning der Joden zijt, red dan uzelf! En tenslotte hoont een medegekruisigde moordenaar, die als de slechte moordenaar de geschiedenis in zal gaan: Zijt Gij niet de Messias? Red dan uzelf en ons! Driemaal diezelfde suggestie: red jezelf! Maar zelfredzaamheid en zelfstandigheid boeien God en Jesus helemaal niet. Die leven in een heel ander soort macht.

Jesus’ koninklijke macht leeft zich daarin uit, dat Hij koninklijk-absoluut overgegeven en afhankelijk kan en wil zijn van God zijn Vader, en volstrekt beschikbaar kan en wil zijn voor ons, zijn broeders en zusters. Jesus’ koningsmacht leeft zich daarin uit, dat Hij zichzelf helemaal niet wil redden of met zichzelf bezig is, maar juist reddeloos wil worden om ons te redden, onze reddeloze plaats wil innemen, opdat wij de zijne in de schoot van de Vader zouden kunnen innemen, dat Hij ten einde toe de weg van het offer en de zelfvergeten plaatsvervanging gaat. Jesus is bij machte enkel en alleen uit liefde leven. En dát is de echte macht, de goddelijke macht.

Jesus is daarin zozeer Heer en Meester, dat Hij ons graag deelname eraan gunt.  Dat begint ermee, dat Hij ons in staat stelt te leven in steeds grotere afhankelijkheid van God, in steeds grotere overgave aan de Vader, en wij de enorme kracht en macht en vrijheid van de overgave gaan ontdekken; en dat wij onze menselijke zwakheden en kwalen en beperkingen en  onmacht gaan liefhebben en aangrijpen als springplanken om je meer en meer over te geven aan God. En dat wij gaan ontdekken dat de zelfredzamen helemaal niet zo benijdenswaardig zijn, omdat ze weinig rafels, weinig kieren en gapingen en dus weinig springplanken hebben en moeilijker tot overgave zullen komen. Ja, de macht en de kracht van de overgave aan de Vader! Dát maakt ons – hoe zwak we ook zijn – tot krachtige en machtige mensen, tot vrije mensen, zó vrij, dat wij soms onszelf gaan vergeten en kunnen deelnemen aan Jesus’ plaatsvervangende liefde.  Hoe dat eruit ziet? In plaats van een ander diens last dragen, bijvoorbeeld. Draag elkanders lasten, zo zult ge de wet van Christus vervullen, zegt Paulus in zijn Galatenbrief (6,2). Of ook: draag de smaad die eigenlijk een ander toekwam. Of: ruim andermans vuile was maar op. Of: ga in plaats van een ander voor God staan en echt voor die ander biddend instaan bij God. Welke vorm van plaatsvervangende liefde we ook kiezen, of op ons hart en op onze weg gelegd krijgen: het zal ons doen delen in het koninklijke van Christus. Hoe meer we leven in de overgave aan God, des te meer zal ons leven krachtig en vrij worden –  kóninklijk worden.
Amen.

Br. M.

ZONDAG 33 DOOR HET JAAR: C: Lc. 21,5 – 19: 13 NOVEMBER 2022

Broeders en zusters,

Jezus geeft ons in het evangelie een vooruitblik op de wereldgeschiedenis die na Hem komt. Na Hem laten we onze jaartelling ook pas beginnen: we zijn pas gaan tellen vanaf Zijn geboorte, en dan komen we nu uit op het jaar 2022. We spreken tegenwoordig wel vaker over “aan de goede- of aan de slechte kant van de geschiedenis staan”. Bedoeld wordt dan dat er mensen zijn die slecht, of zelfs verdorven gedrag vertonen. Die staan dan natuurlijk aan de foute kant. Het criterium is dan vaak – vanuit Westers perspectief – de oorlog in Oekraïne. De man die er vrijwillig in slaagt alsmaar verder in de fuik te zwemmen en zichzelf zo alsmaar verder in het nauw te drijven, staat aan de verkeerde kant, zoveel is duidelijk. Aan de andere kant van de geschiedenis, de goede kant, bevindt zich dan Volodimir Zelenski, de leider van het aangevallen land. Die is uit hetzelfde hout gesneden – zo wordt dan beweerd – als indertijd Winston Churchill en geen type om te vluchten naar het buitenland.

Jezus noemt veel onheil op dat zich zal gaan voltrekken. “Er zal strijd zijn van volk tegen volk”, zo zegt Hij, maar zelf voert Hij een andere strijd en weet Hij dat de Enige die het echt toe komt te oordelen over de mensen en de geschiedenis Zijn God en Vader is. Ons maant Hij niet te oordelen: “Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt”. Het zal al die arme slachtoffers van agressie – althans de gelovigen onder hen – misschien al helpen zich te realiseren dat hun oordeel maar een
voorlopig oordeel is, en dat ze het echte oordeel – wie aan welke kant van de geschiedenis staat – met een gerust hart aan God kunnen overlaten.

Jezus voert ondertussen die andere strijd. Het is Zijn eigen geschiedenis die zich eens in de tijd, historisch, maar ook voorgoed en definitief, met die van de mensen en de wereld verbonden heeft. In al wat menselijk en voorlopig is heeft God zich in Zijn Zoon toegang verschaft; er staat voor God sinds Zijn Zoon mens werd een deur open in de wereld om zich al wat menselijk is toe te eigenen. Aan al het menselijke falen en tekortschieten te beantwoorden met de unieke alleen aan God eigen overvloed aan gerechtigheid die Hij in Jezus vindt. De geschiedenis is vervult, zo weten christenen.     

En dan is er natuurlijk ook nog onze eigen persoonlijke geschiedenis. We gaan onze weg, met vallen en opstaan, en hebben allemaal onze eigen accenten en voorkeuren. Misschien lopen we ergens warm voor of is het ons allemaal meer om het even. Jezus zei zojuist: “Het zal voor u uitlopen op een getuigenis”. Een getuigenis voor Hém uiteraard. “Ge zult een voorwerp van haat zijn voor allen omwille van mijn Naam”, zei Hij ook nog. De vraag laat zich dan stellen wie zulk een getuigenis ook werkelijk gééft; wie gééft een getuigenis van Jezus? Mensen die zich neerzetten in de kerk- en koorbanken? Mensen die te midden van onheil voor anderen in de bres springen? Denken we maar eens aan mensen die voor het Rode Kruis werken en gewonden verzorgen? De vraag aan welke kant van de geschiedenis wij zelf ons bevinden kan beantwoordt worden met een tegenvraag: hoe onttrokken zijn wij aan onszelf? In hoeverre geven wij onszelf weg aan anderen? Aan God en aan mensen? 

Een laatste vraag zou dan worden: HOE komen wij ertoe onttrokken te zijn aan onszelf? Is die vraag niet een vraag naar het zwaartepunt in ons leven? Welk accent leggen wij? Leven wij vooral voor onszelf? Is ons denken en voelen, ons willen en streven vooral vlak – oppervlakkig? Hoe belangrijk is dan wel niet die ene keuze: op wie of wat focus ik mij in mijn leven? En hoe vrijblijvend of verplichtend verhoudt ik mij tot die keuze??

Steeds opnieuw maken wij keuzes; telkens weer moeten eenmaal gemaakte keuzes wáár gemaakt worden. Wij schrijven zelf geschiedenis en kunnen zoeken naar wat de geschiedenis trotseert; wat alle tijden door zal standhouden. Dat zal geen tempel of kathedraal zijn: “Geen steen zal op de andere gelaten worden”. Wél houdt Hij stand die zei: “Breekt deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem doen herrijzen” (Joh. 2,19).
Amen.

Br. J.    

ZONDAG 32 DOOR HET JAAR C : Lc. 20,27-38 : 06-11-2022 

Broeders en zusters,
Is met dit leven alles afgelopen, of is er nog iets dit leven ? Allemaal stellen we ons die vraag wel eens, vooral als je in je naaste omgeving een sterfgeval meemaakt, of als je indringend voelt hoe broos en sterfelijk jouw leven is. Het is – als we ze echt in ons toelaten – een aangrijpende vraag, té belangrijk om ze enkel met voorgegeven standaardantwoorden af te doen. In het evangelie van vandaag treffen we drie onderscheiden richtingen aan rondom die vraag.  In de confrontatie met die drie overtuigingen kan onze persoonlijke geloofsintuïtie wellicht rijpen…

De eerste overtuiging ligt vervat in die vreemde vraag waarmee in het evangelie van vandaag de toenmalige Joodse groepering van de Sadduceeën Jesus benadert: hoe het met een vrouw zit met wie uit heel nobele motieven achtereenvolgens – de één na de ander stierf – zeven broers getrouwd zijn geweest: met wie van die zeven zou die vrouw in een hiernamaals dan wel getrouwd zijn? Met alle zeven soms? Ze bedoelen met die vraag te suggereren hoe absurd het is te geloven dat de lijn van ons aardse leven doorgaat ná dit leven. De mens is gemaakt uit de aarde en keert terug tot de aarde. In je aardse levenstijd moet het gebeuren, daarna is het voor jou voorbij. Een opvatting die ook tegenwoordig volop bestaat, – zelfs onder gelovige mensen, zoals ook die Sadduceeën
gelovige Joden waren: leef je leven voor Gods aanschijn, pluk de dagen die je krijgt in dankbaarheid, en heb daar vrede mee, want meer komt er niet. – Deze overtuiging mogen we serieus door ons heen laten gaan.

De tegenpool van deze opvatting hoopt en denkt dat de lijn van ons leven en van onze levensverbanden na onze aardse levenstijd wél doorgaat, ongebroken, maar dan zonder lijden en pijn; hoopt en denkt dat alles wat in dit al te korte leven onvervuld en onaf bleef, ons dán in de schoot zal worden geworpen.  Vaak gaat hiermee een naïef-concrete voorstelling van de hemel gepaard, waarin onze afgebroken wensen en verlanglijstjes eindelijk vervuld worden. Die opvatting zou ook in onszelf kunnen leven; we mogen ze gerust door ons heen laten spelen.

Jesus echter deelt
beide opvattingen niet. Jesus begint helemaal niet bij de mens, noch bij  zijn aardegebondenheid, noch bij zijn onvervulde wensen en afgebroken dromen. Voor Jesus is reeds dit aardse leven ánders dan deze twee overtuigingen het beleven: met véél meer mysterie omgeven. En daarom is voor Hem hetgeen ná onze dood gebeurt óók  véél geheimenisvoller. Voor Jesus is hét beslissende en wonderlijke in dit leven, dat God  een uniek verbond aangaat met ieder mens persoonlijk die maar wil. God wil de God van Abraham zijn, en de God van Isaäk, en de God van Jacob, en de God van u en van mij, en bovenal, all inclusive, de God en Vader van Jesus. Even zovele  keren van God uit een unieke en trouwe band waarin zich een avontuur van persoonlijke liefde voltrekt, een band vol verrassingen, vol léven zoals Jesus het noemt. Jesus beleeft en beziet alles vanuit die band, óók de vraag of dit aardse leven alles is. Als God met iemand persoonlijk zulk een band van verbondsliefde aangaat, dan ontspringt dat niet aan ònze mogelijkheden, maar aan Góds mogelijkheden, en die breken niet af en die stoppen niet met onze dood.

Hoe we ons dat leven na de dood dan verder moeten voorstellen, blijft een grote verrassing, zoals ook nú al, in dit aardse leven, dat verbond met God vol verrassingen is. In ieder geval zal die verbondsband met God dan nóg intenser worden. Volgens een beeld van Jesus in het evangelie van vandaag
zullen we zijn als engelen, waarmee Hij wil zeggen, dat we totaal vervuld zullen worden van Gods liefde, dóór en dóór kind van God, en daar helemaal vrij voor zullen zijn op een manier die voor ons aardse mensen nu nog onvoorstelbaar is. – Maar we worden al door Jesus uitgenodigd  te delen in zijn overtuiging; om al op het spoor te komen van God, die nú al met ieder van ons een verbond  aangaat, – een verbond vol verrassingen, goddelijke verrassingen, te veel en te groot dan dat ze binnen dit ons aardse leven al vergeven zouden zijn.
Amen.

br. M.

ZONDAG 31 DOOR HET JAAR : C : Lc. 19,1-10 : 30-10-2022 

Broeders en zusters,
Het verhaal over Zacheüs is schilderachtig. Zacheüs, klein van gestalte, klimt – al is hij een gewichtig man: hoofd der belastingen – in een boom om over de mensenmenigte heen Jesus te kunnen zien. Maar niet wat hij doet is in dit verhaal beslissend, maar wat áán hem gebeurt. Er gebeurt aan hem een omkering: een omkering van perspectief, een omslag in zijn bewustzijn, een omvorming van zijn leven. Verschillende onderdelen in het verhaal willen dat onderlijnen, om ons te helpen zelf in die omkering mee te gaan.
Als Jesus langskomt en omhoog kijkt, en Zacheüs in de boom ziet, zegt Hij: Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet Ik in uw huis te gast zijn.  Jesus noemt zich wel gast. Maar eenmaal als gast binnen, gedraagt Jesus zich niet als gast, past Hij zich niet aan. Het is andersom: Zacheüs gaat zich aanpassen aan Jesus, als was Jesus de eigenlijke gastheer. Zacheüs gooit zijn zonden van zich af, gooit zijn corruptie van zich af (waardoor hij in het toenmalige belastingsysteem zo’n rijke tollenaar was kunnen worden), wil teruggeven én – vierdubbel daarbovenuit – overvloedig méér geven, zoals Jesus zelf altijd overvloedig is; kortom: Zacheüs past zich aan aan Jesus, vormt zich naar Jesus. Jesus blijkt de eigenlijke gastheer: Hij neemt Zacheüs bij Zich op in Zijn levenskring en leefvorm.
Daarom wordt dit evangeliegedeelte vaak gelezen  bij de inwijding van een kerk of bij de jaarlijkse  herdenking daarvan. Wij bouwen met mensenhanden een kerkruimte, in de hoop dat de Heer bij ons te gast wil zijn. Maar door wát in die kerkruimte gebeurt, is Híj niet meer ònze gast, maar blijken wíj Zìjn gasten! In de Eucharistie brengen wij eerst ónze gaven aan, maar die breken open en worden omgevormd tot – omgekeerd – Zìjn gaven aan ons. En bij de communie nemen wij dan Zijn gaven in de gestalte van Brood en Wijn in ons op, en verteren die in ons lichaam, in ons wezen. En dan breekt nogmaals iets open: dan blijkt, dat niet zozeer wíj Hèm opnemen en verteren, als kracht voor onze levensweg, maar dat – omgekeerd – Híj òns opneemt en verteert! Hij neemt ons op in Zijn leefkring, vormt ons om tot Zijn mystiek Lichaam, tot Zijn leven!  Dat wat Zacheüs overkwam, overkomt hier in de kerkruimte ook ons, maar dan sacramenteel en dus nog inniger.

Nóg een ander moment van omkering: Zacheüs wil Jesus zien, en als het ogenblik daar is, blijkt hij te wòrden gezien door Jesus, en dát blijkt het beslissende! Zachéüs zoekt Jèsus, maar het blijkt dat Jésus hèm al zocht: De Mensenzoon is immers gekomen om te ZOEKEN, en om te redden wat verloren was. Weer die omwisseling van perspectief: als wíj de Hèèr zoeken, breekt open dat de Héér òns al zoekt, breekt het inzicht open dat Hij ons al gezien en gevonden had en wij al gevonden wàren!, en dat ons – in de woorden van Jesus tot Zacheüs – heil ten deel is gevallen: heil in omvattende zin. Van dan af, vanaf die beslissende omkering van perspectief en van bewustzijn, láten wij ons zoeken en aanzien door de Heer, en láten wij ons vinden door de Heer, en láten wij ons opnemen en omvormen in Hem, en láten wij ons overvloedig weggeven méé in de beweging van Zijn overvloedig wegschenken van Zichzelf. Dat laatste is wel de markantste uitwerking van ons binnengehaald zijn in het heil, zoals bij Zacheüs dat vierdubbele teruggeven. Dat overvloedige is immers zó markant in hoe God handelt, hoe Jesus handelt! En dat gaat nu over in ons! Als wij overvloedige aandacht en zorg in ons laten opwekken en die doorgeven aan wie ze nodig hebben, of overvloedige gulheid, of overvloedige tijd (ook bijvoorbeeld in voortdurende voorbede), dan vloeit het heil al door ons heen, zoals door Zacheüs. Dan worden wij kleiner en wordt Christus in ons groter (cf. Joh. 3, 30). Dan is de omvorming in Christus al gaande: totdat eenmaal, in de woorden van de apostel Paulus (cf. Gal. 2, 20), niet wij meer leven, maar Christus in ons.                                                                                                                      Amen.

br. M.


ZONDAG 30 DOOR HET JAAR : C : Lc. 18, 9-14 : 23-10-2022 

Het evangelie van deze zondag zal ons allemaal bekend zijn als de parabel van de farizeeër en de tollenaar zeker ook vanwege het tot onze verbeelding sprekend verhaal en de ook nu nog veel gebruikte uitdrukking: wie zich verheft zal vernederd, maar wie zich vernedert zal verheven worden. En we gebruiken die uitdrukking als iemand de kous op z’n kop krijgt omdat hij dacht het wel te weten of iets te kunnen bij iemand die zich graag boven de massa verheft. Of als juist het tegenovergestelde gebeurt. Met deze uitleg lijkt het evangelie dan ook niet al te moeilijk. Toch is het evangelie niet zo probleemloos als het op het eerste gezicht lijkt. Natuurlijk gaat onze sympathie in eerste instantie uit naar de arme tollenaar vanwege zijn nederige houding. Maar ik moet u zeggen dat ook de farizeeër mijn sympathie heeft. Sympathie in de zin van dat ik met de man te doen heb. Als een goede Jood houdt hij zich precies aan de wet: hij heeft van de Torah zijn leven gemaakt: hij onderhoudt en probeert ze gaaf door te geven, hij doet nog veel goede werken waartoe de wet hem niet verplicht, draagt zijn tienden af, vast tweemaal en doet voor de rest geen vlieg kwaad. Misschien herkennen we dat geluid en ook bij mezelf: ik doe m’n werk goed, betaal idd belasting, probeer niet te klagen. We zeggen: ik ben vrijwilliger, heb niemand vermoord, niemand heeft last van me. Deze vorm van eigen lofprijzing lijkt helemaal los te zijn gekomen van het gegeven dat alles wat we hebben en zijn gekregen hebben. En al helemaal naar God toe. Bij de farizeeër gaat het mis als hij tegenover God dan nog wel, zich gaat vergelijken met ‘die daar’, met de ‘rest van de mensen’, dat wil zeggen: alle anderen buiten zichzelf om.

Het komt niet bij hem op dat hij zelf ook maar iets fout zou kunnen doen; net zo min als het zijn inziens ook maar enigszins mogelijk is dat ‘die daar’ dat iemand anders ook maar één enkele goede eigenschap zou bezitten.

Jezus noemt  zo over jezelf denken: je verheffen, zelfoverschatting. Dát is een – eigen gerechtigheid – die haaks staat op Gods gerechtigheid en daartoe schetst Jezus ons deze situatie die de binnenste laag van de mens raakt: je innigste relatie met God waarvan het gebed een uiting, ja de vertaling is. De tragiek van de farizeeër zit in zijn grondhouding: hij is zelfgenoegzaam. Er is bij deze man geen ruimte meer voor ontvankelijkheid. Hij is vol van zichzelf. Zijn zelfverheffing  zou je kunnen zeggen verdrijft de adem van de heilige Geest. Zijn gebed dringt niet door de wolken heen. Het staat niet met zoveel woorden in de parabel want zowel de een als de ander in de parabel spreekt ‘bij zichzelf’. Nu is dit spreken in deze nog meer een kwestie van aanvoelen. Je hoeft niet altijd woorden te gebruiken maar soms voel je aan door de lichaamstaal wat mensen vinden en over je denken. De tollenaar blijft op afstand: wij zien hem als het ware ineenschrompelen in aanwezigheid van  het morele zwaargewicht van de Wet voor zich en krimpt ineen en durft zijn ogen niet eens op te slaan naar de hemel, naar God. En andersom zien we de farizeeër nog een stuk groeien als hij de nietigheid van de ander opsnuift. Hebben we geen gelijk als we bij ons zelf zeggen: maar goed dat we niet zijn zoals die farizeeër. Met andere woorden: we hebben toch gelijk als we de mensen die zo over anderen denken minachten? Nee, zegt Jezus ons. Het is kwaad en zondig. De slechtheid mag je verachten maar nooit de mens, wie hij ook  moge zijn, niet de  tollenaar maar ook niet de Farizeeër. Want dan zijn we geen haar beter dan zij. Het evangelie reikt  ons de hand en wijst ons de weg om tot een zuivere levenshouding te komen die God behaagt. Immers de parabel begon toch met de zin: “twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden”. Welnu als ons gebed ook maar een zweem vertoont van zelfverheerlijking of grootspraak of van een zekere minachting over anderen dan is het geen gebed meer omdat God niet anders kan dan onze verdiensten erkennen en belonen.. De manier van bidden tekent de mens tot in zijn diepste zijn. Daarom besluit Jezus ook de parabel met de woorden: al wie zich verheft, zal vernederd en wie zich vernedert zal verheven worden. Ons gebed is niet alleen de weg naar God maar ook naar de mens naast ons. En dat laat Jezus niet los: die stap naar de ander toe die mensen niet gezet krijgen: de stap namelijk vanuit zichzelf, van jezelf weg naar de ander toe; de stap van verdraagzaamheid, waardering, begrip, dienstbaarheid. Kortom de stap naar de naastenliefde, de caritas. Waarom zo mogen we ons vragen heeft Jezus zo’n liefde voor de tollenaar? Toch niet om wat hij deed? Zou het niet zijn omdat niemand hem graag zag en juist daarom zo broodnodig zijn liefde nodig had en wel om zich om op te tillen tot omkeer en geloof in de barmhartigheid? Met Jezus naam als christenen is dat ook onze weg voor en naar elkaar in Gods Naam. Het is onze missie om God een stem te geven in onze wereld: dienend als Zijn Zoon.
Amen.

br. R.

Scroll to Top