Abdij Lilbosch – Echt
Cisterciënsermonniken

  1. Home
  2. /
  3. Preek van de week

ZONDAG 4 DOOR HET JAAR : A : Mt. 5, 1- 12a : 29-01-2023

Broeders en zusters,
Het zal al drie generaties geleden zijn, dat de geloofsoverdracht op de scholen nog gebeurde volgens het eeuwenoude methode van een catechismus: een boekje met vragen en antwoorden die uit het hoofd moesten worden geleerd. De eerste vraag luidde: Waartoe zijn wij op aarde? En het eeuwenoude antwoord: Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor in de hemel gelukkig te zijn. Rond 1950 vond er een modernisering plaats in de antwoorden. Het antwoord ging toen luiden: Wij zijn op aarde om God te dienen en daardoor hier en hiernamaals gelukkig te zijn. Men probeerde ons leven hier op aarde een positievere waarde te geven. Door God te dienen kon ook je aardse leven al gelukkig zijn. Toch kwam van veel kanten protest! Zo gaat het op aarde niet!, was de teneur. De goeden gaat het vaak slecht, en de slechten goed! God dienen geeft in onze aardse constellatie helemaal geen garantie op aards geluk! Dat híer gelukkig zijn is een loze, ja valse toezegging!

Eenzelfde spanningsveld speelt bij het evangelie vandaag. We hoorden het begin van Jesus’ eerste grote redevoering, de Bergrede. Met het eerste woord daarvan wil Jesus meteen zijn toon zetten. Welnu, Zijn eerste woord is: zalig. Hij begint zelfs Zijn eerste negen zinnen daarmee! De nieuwste vertalingen hebben gelukkig. Omdat zalig in ons moderne taalgevoel teveel versuikerd is geraakt en tendeert naar zoiets als overheerlijk. Tegelijk voelen we nog wel aan, dat zalig oorspronkelijk een intensieve vorm van gelukkig uitdrukte. Hoe dan ook, Jesus’ eerste grote redevoering mikt, zonder dralen, meteen op onze bestemming tot een gelukkig bestaan. En dat niet door een opdracht plus belofte mee te geven, zo van: doe dit of dat, en dan zul je gelukkig wórden. Dat juist niet! Eérst wil Hij bewustwording dat God nu komende is, en dat daardoor ons leven nu al  zalig is; negen keer: zalig ben je, nú al! Jesus als leraar van het evangelische bewustwordings-proces en van de goddelijke kunst tot levensgeluk.  Het zal een dwarse levenskunst blijken!

Vóór alles nodigt Jesus ons uit radicaal te aanvaarden dat we het ware geluk enkel kunnen ontvangen. We zijn daarvoor doorgaans hardnekkig blind en doof. We denken ons geluk zelf te kunnen uitkiezen en voortbrengen. We gaan een weg van zelfontplooiing en zelfrealisatie. We bouwen en verzamelen. We vervullen onze behoeftes en interesses. We raken thuis in ons lichaam, komen thuis bij onszelf. Dat hoort allemaal bij het gezonde menszijn, en brengt elementen van geluk. Maar als we er te veel mee bezig zijn en er te veel van verwachten, belemmert het zelfs ons ware geluk. Jesus nodigt ons uit een sprong te maken: radicaal aanvaarden dat je het ware geluk enkel kunt ontvangen, – en gelukkig: God is rakelings nabij om Zichzelf te geven: en dat is de eigenlijke zaligheid. En heel Jesus’ dwarse levenskunst is er vervolgens op gericht bewust te worden waar je leven al openingen heeft. Want daar haakt God aan, en raak je al aan die zaligheid.

Zalig de armen van geest, leert Jesus dus. En: Zalig de treurenden, zalig de zachtmoedigen, zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, zalig de barmhartigen, zalig de zuiveren van hart, zalig die vrede stichten, zalig die vervolgd worden. Want ‘zalig’ of ‘gelukkig’ is allereerst wat mensen open maakt, open breekt, – open voor God en voor elkaar. Waar ons leven breuklijnen heeft, of kieren en bressen, of littekens en wonden, of zachte indringbare kanten, daar ligt ons leven open voor God die ons rakelings nabij komt, daar aarzelt God niet als het ware binnen te glippen en zijn liefdesheerschappij – Zijn ‘Rijk’ – meteen uit te breiden.

Maar dan wel op Zijn dwarse, goddelijke manier! Het tegendeel van onze gesuikerde wensen en verwachtingen! God raakt aan door de bres, de opening, de wonde nog groter te maken! Eenmaal binnengedrongen, verríjkt God ons door ons nóg armer van geest te maken; en verzádigt Hij ons door ons onverzadigbaar te maken; en tróóst Hij ons door ons nog grondiger te laten treuren en verzuchten; en geeft Hij zich te zien door onze nog overgebleven onzuiverheid van hart pijnlijker bewust te maken; en bewijst Hij ons barmhartigheid door ónze barmhartigheid en zachtmoedig-heid jegens anderen nóg onvoorwaardelijker en grondelozer te maken. Dát zijn hier op aarde de onmiskenbare tekenen van Gods zalige heerschappij in ons. Daarom: Gelukkig de mens, nú al, die zulke zalige raakvlakken heeft!     Amen.

Br. M.

ZONDAG 3 DOOR HET JAAR : A : Mt. 4, 12-23 : 22-01-2023

Broeders en zusters,
Het lijkt of de breed en profetisch ingeleide evangeliepassage van vandaag uit twee losse delen bestaat: de eerste verkondiging van Jesus: Bekeert u, want het Rijk der Hemelen is nabij en vervolgens de roeping van de eerste apostelen en dus de eerste vorming van de kerkgemeenschap. Die delen lijken misschien los te staan van elkaar, maar dat is schijn. Die twee horen bij elkaar. Bekering en geloven is nooit louter privaat en nooit louter innerlijk. Het Rijk Gods, dat wil zeggen: het aankomen van Gods liefde in de wereld en in ons mensen, is immers nooit louter privaat en nooit louter innerlijk. Het is steeds ook gemeenschap stichtend. Beide gaan samen en zijn er samen, of beiden zijn er niet. Er is geen christelijke innerlijkheid, hoe diep of mystiek begiftigd ook, die niet ook onmiddellijk op gemeenschap en kerk, en daarmee op de hele wereld, betrokken is. En omgekeerd is de kwaliteit van ons samenleven in wat we de kerk in het klein mogen noemen: onze eigen gemeenschap, ons eigen gezin, – is de kwaliteit van ons samenleven meteen ook een spiegel voor het gehalte van ons gezamenlijke én persoonlijke gebedsleven, van de diepte en de werkelijkheid ervan.

Waar mogen we dan in ons gemeenschapsleven extra alert op zijn, als indicatie voor het gehalte van ons gezamenlijke en persoonlijke gebedsleven? Dat is bijvoorbeeld of we voorkeuren hebben voor bepaalde mensen en daarnaar handelen, of we ons beperken tot mensen die ons liggen of die ons iets te bieden hebben. De Heer riep, zo hoorden we, juist bijna willekeurige, aan de rand staande, en daarom in eerste instantie oninteressante mensen samen in het apostelcollege. Je bekeren tot God, in geloof innerlijk dichter bij God komen gaat nooit samen op met vasthangen aan voorkeuren en belangen, en al helemaal niet aan voorkeuren en belangen inzake mensen, want dat houdt je veel te klein en te traag. 

Wat nog meer een trefzekere indicatie in ons samenleven is voor het gehalte en de diepte van ons gebedsleven, dat is de dagelijkse bekering en dus de dagelijkse vergeving. Niet of wij een volmaakte, foutloze gemeenschap, of een volmaakt, foutloos gezin zijn, is beslissend, maar onze dagelijkse vergevings- en verzoeningsbereidheid, onze bekwaamheid dagelijks vergeving te vragen én te schenken, uitdrukkelijk of impliciet. Jesus’ eerste woord luidt immers, toen in Galilea, en nu nog steeds, want het is principieel blijvend Zijn eerste woord: bekeer u, keer u om, maak een nieuw begin. Gebrek aan vergevings- en verzoeningsbereidheid, gebrek aan vergevings-  en verzoenings-bekwaamheid duidt erop, dat we vastzitten aan wat gebeurd is, aan het verleden, terwijl het wezenlijke in gebed en evangelie steeds juist nu gebeurt: de steeds frisse liefde van God die nú onvoorwaardelijk, zonder voorwaarden vooraf, wil aankomen, en nu een nieuw begin wil maken. Dat steeds onvoorwaardelijk nieuwe en frisse van Gods liefde komt aan ófwel tegelijk in ons hart en gebed én in ons gemeenschapsleven of ons gezinsleven, of ze komt in beide niet aan. 

Vergeving en verzoening is allesbehalve goedpraten of wegmoffelen of ontkennen wat er aan fouts en schuldigs gebeurd is. Maar het foute en schuldige mag ons niet langer voeden of motiveren. Ons voeden en motiveren moesten we ons alleen aan die dagelijks frisse, onvoorwaardelijke liefde van God die nu wil aankomen. En bekering is precies de grondige, dagelijkse keuze om ons vanaf nú daaraan te voeden. Eigenlijk zoals samengebald in de Eucharistie gebeurt. En die voeding laten doorsijpelen en doortrekken diep in ons innerlijk leven en gebedsleven, én wijd in ons concrete leven en samenleven. Er is geen escape in alleen het één of alleen het ander. In het Rijk Gods en in de dingen van God gaan verdiepen en verwijden altijd samen op, of ze gebeuren geen van beide.
Amen.

br. M.

2e ZONDAG JAAR A. 15 januari 2023

De evangelielezing die we zojuist hoorden is een relaas over een latere mijmering van de evangelist Johannes die nadenkt over de gebeurtenissen  die zich afgespeeld hebben bij de Jordaan  rond Johannes de Doper. De  evangelist schrijft zijn evangelie lang nadat deze gebeurtenissen hebben plaatsgehad en  schetst voor ons de betekenis om ons zo direct te betrekken alsof we  bij de Jordaan zijn en  Johannes de Doper horen zeggen:” Zie, het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegneemt: Ik heb de Geest als een duif uit de hemel zien neerdalen en Hij bleef op hem rusten. Ik heb het zelf gezien en ik heb getuigd: Deze is de Zoon van God”.
Met deze laatste zin vat de evangelist kort en bondig het getuigenis van de Doper en zijn eigen getuigenis samen: “Jezus is de Zoon van God”. Daarom is het goed  om te ontdekken welke de betekenis van de roeping van Johannes de Doper voor ons is: en dat is niet zijn preken, zijn dopen, maar zijn uitzien naar een leerling, een dopeling op wie de Geest zou rusten en Hem herkennen en aanwijzen. En Johannes wijst Hem voor ons aan: Jezus, is de Dienaar Gods, het Lam Gods, de Uitverkorene van God die de zondenlast van de wereld wegneemt. Dat is nog eens een ding. Want onder zondig verstaan gelovigen en niet-gelovigen nog minstens: zonde in de zin van wat jammer: dat is niet goed, niet zuiver, niet oprecht, ‘n gemiste kans. En er zijn nogal wat gemiste kansen  als we om ons heen kijken en naar onszelf ook. We staan vaak te ver af van Gods scheppingsplan waarin heelheid, heiligheid en eenheid als uitgangspunten te herkennen zijn en waar tegenover gebrokenheid, zondigheid en versnippering staan. En roept Johannes; ”Kijk, daar is Hij met wiens Geest jullie gedoopt zijn om de wereld te bekleden met het oorspronkelijke kleed van de heilige en eenheid makende Geest”. En alles wat dat kleed van de Geest ommantelt met alles wat hier tegenin gaat moet weggenomen worden. Met andere woorden: de wereld en wij  moeten van dat alles ontmanteld worden. Van alles wat het tegendeel deel is van Gods scheppende droom van een dienende liefde.  Hoe dan kunnen wij onszelf en de wereld ontdoen van gebrokenheid, zondigheid en verdeeldheid?

Niet  gemakkelijk te herkennen  omdat deze gegevenheden  huizen in verkeerd gebruik van alles wat ons gegeven is. Is er iemand onder ons die iets het zijne kan noemen? Of het nu gaat over het meest fundamentele  het ontvangen van het leven zelf en alles wat daaruit volgt: altijd zijn het anderen die ons tot ouders, zoon en dochter hebben gemaakt, elk ambt,  functie,  taak wordt gegeven of toevertrouwd. En altijd met het oog op ordening en op dienstbaarheid ten bate van een groter geheel. Bij alles wat genoemd is het altijd mogelijk dat deze toevertrouwde taken snel als eigendom worden beschouwd en zijn er zijn evenzovele mogelijkheden die toegang geven tot macht die begint te heersen ipv te dienen en juist de ander niet tot recht laat komen,  niet tot eenheid, niet tot heiligheid brengt.

Gods Zoon is  drager van zonde van de mensheid én de brenger van de Geest van God. Leerling van Jezus zijn is daarom:  zich toevertrouwen aan dat Lam van God: dat we Hem onze zondigheid laten wegnemen en ons door hem laten bekleden met zijn Geest. De Geest die ons ontmanteld van zondigheid opdat we met Hem dragers worden van onze wereld en wegdragers van zonde en aandragers van Zijn Geest. En dat is een hele persoonlijke roeping voor ieder van ons. Deze week las ik op een poster die wierf voor leerlingen voor een school: groeien doe je zelf maar bloeien doen we samen. Ja, daar steekt heel wat in. Aandragers van de Geest daarin moet ik groeien en samen kunnen we bloeien door onrecht   te voorkomen; door hoop te brengen; door het vuur van de liefde brandend te houden; door het kleine te beschermen; door honger te stillen en vrede te stichten. Ons geloof vraagt engagement met de mensen om ons heen en onze wereld. Gods liefde is herkenbaar en af te lezen aan de leerlingen van Jezus. De  boodschap waarin we ons hele leven kunnen leggen is -adem van leven- voor een gehavende wereld. We kunnen niet minder te doen dan Hem aanwijzen als de Degene om wie het gaat en die alles en iedereen nieuw kan maken. En als  generaties nu die boodschap nu niet meer oppakken dan is dat iets wat zich telkens herhaald in de geschiedenis maar zoals aan de Jordaan vraagt het om het te blijven uitdragen: Hij is het. Onze Kerk en wijzelf mogen ons weer richten op de kern om waar het in ons geloof omgaat: God is liefde, begaan met Zijn schepping en Zijn Zoon wijst ons de weg en onlosmakelijk zijn ook wij geroepen wegwijzers zoals de Doper te zijn naar Hem door onze manier van leven. Groeien doen we zelf en bloeien doen we als geloofsgemeenschap samen.
Amen.

br. R.

EPIFANIE 2023
 

Broeders en zusters,

De Wijzen uit het Oosten boden het kind Jesus geschenken aan: goud, wierook en mirre. Die Wijzen waren mensen die heel bewust leefden, vol aandacht voor de symboolkracht van al wat is. De geschenken die ze aan Jesus’ voeten neerlegden, waren dan ook niet zomaar willekeurige geschenken. Kostbaarheden, zeker – er staat immers: ze haalden
hun schatten tevoorschijn – maar geen willekeurige kostbaarheden. Het waren geschenken waarover was nagedacht, geschenken vol symboolkracht. En het waren ook geen geschenken om plechtig aanvaard te worden door Maria en het Kind Jesus, om ze vervolgens te bewaren in, zeg, de binnenkamer van het huis. Het waren geschenken om omgevormd te worden. Die Wijzen waren immers een soort alchemisten (magoi/magiërs) die voortdurend bezig waren met de omvorming van het lagere in het hogere. Goud vraagt erom omgesmolten te worden, wil het zijn rijke schoonheid kunnen prijsgeven, anders blijft het een homp.  En wierook vraagt erom verbrand te worden, wil het zijn krachtige en meeslepende reuk prijsgeven. En mirre vraagt erom te verdampen en in te trekken, wil het zijn genezende en verduurzamende kracht prijsgeven. Als de Wijzen dus deze geschenken aan Jesus aanbieden, hopen ze dat Jesus hun geschenken zal omvormen, maar nu op een manier die nog voorbij de gewone, eigen mogelijkheden ervan ligt. En dat als uitdrukking van hun hoop dat Jesus ook henzélf, de gevers, zal omvormen op een manier die nog voorbij hun eigen mogelijkheden ligt.

Ja, goud, wierook en mirre moeten voorbij hun gewone eigen mogelijkheden omgevormd worden doordat ze door Jesus heen gaan, door zijn woorden en zijn verkondiging heen gaan, door zijn kruis en verrijzenis, door zijn wezensmysterie. Je zou ook kunnen zeggen: goud, wierook en mirre moeten als het ware doorheen de sacramenten van doopsel en vormsel en eucharistie.

Goud verwijst naar macht en kracht en rijkdom, naar koning en keizer. Hoezeer is het ons, met een oorlog dicht bij, weer duidelijk geworden dat macht en kracht aan de voeten moeten worden gelegd van Jesus, de Vredevorst en omgevormd moeten worden door zijn Geest, wil macht, in plaats van brutaal toe-eigenend en bruut verwoestend, juist dienend worden en ruimte gevend en leven behoedend. Op het niveau van de machthebbers – daar uitvergroot –, maar ook op onze eigen kleine en zeer kleine alledaagse schaal. Macht en kracht vragen erom omgevormd te worden door binnengehaald te worden in wat is tussen Jesus en zijn broeders en zusters.

Wierook, eenmaal brandend, verwijst naar alles wat zich eindeloos verwijdt richting de oneindige horizon, en wat opstijgt naar boven; wierook verwijst dus naar menselijke wijsheid en menselijk gebed. Ook die moeten aan de voeten van Jesus worden gelegd en afgegeven, want bij alle schoonheid zijn menselijke wijsheid, menselijk gebed en al wat ‘spiritueel’ heet subtiel doortrokken van ons ego en onze kleinmenselijkheid. Ze moeten gereinigd en verlost en omgevormd worden door binnen te gaan in Jesus’ kruiswijsheid, om zo te kunnen binnengaan in wat is tussen Jesus en zijn Vader en daarin opgenomen te worden.

Mirre verwijst naar onze menselijke zwakheid en wondbaarheid, naar onze broze lichamelijkheid en vergankelijkheid. Ook die moeten aan Jesus’ voeten worden neergelegd, niet opdat Hij, zoals de verdampende mirre maar dan nog krachtiger, onze zwakheid en wondbaarheid zou genezen en ons al te korte leven zou verlengen, maar opdat Hij onze zwakheid en wondbaarheid en vergankelijkheid zou binnenhalen in het mysterie van zijn kruis en verrijzenis, om ons zo binnen te halen in wat is tussen Hem, Jesus, en zijn Vader, van alle eeuwigheid en tot in alle eeuwigheid.

Goud, wierook en mirre: weloverwogen geschenken, geschenken die van zichzelf al vroegen om omvorming, en die, aan Jesus’ voeten neergelegd, aan Hem afgegeven, een onverwachte ándere omvorming krijgen: ze worden binnengehaald in Jesus’ leven. En ook de gevers, de Wijzen uit het Oosten, gaan zélf daarin mee. Want zie: ze worden ándere mensen, omgevormde mensen, en gaan, zo eindigde het evangelie van vandaag, langs een andere weg terug – en eigenlijk niet meer terug, maar vérder: dieper het mysterie van Christus binnen. 

Ook wij, al gedoopt en gevormd, en sindsdien al binnengehaald in Christus en in de christelijke omvorming, mogen steeds verder ándere mensen worden: andere mensen in onze onderlinge verhoudingen, andere mensen in onze levenswijsheid en ons gebed, andere mensen in onze  wonden en zonden, in onze vergankelijkheid en dood.  Ándere mensen: steeds dieper het mysterie van Christus binnen, steeds dieper in wat is tussen Jesus en zijn broeders en zusters, steeds dieper in wat is tussen Jesus en zijn Vader.          Amen.

Br. M.

NIEUWJAAR 2023

Broeders en zusters,

Met het nieuwe jaar is tegelijk een nieuwe maand begonnen: januari. Die maand is genoemd naar de oude Romeinse godheid Janus. Januari was de maand van Janus. En Janus was de god van de deuren en stadspoorten, letterlijk: van de doorgang. Omdat hij zowel naar de ene als naar de andere kant van de doorgang moest kunnen kijken, had hij aan beide kanten van zijn hoofd een gezicht. Daarom de nog steeds bekende uitdrukking een Januskop voor iemand met twee gezichten. Dat heeft bij ons nu een ongunstige betekenis: die persoon laat nu eens het ene gezicht en dan weer het andere gezicht zien, is onvoorspelbaar of onoprecht. Maar in de oudheid kleefde er geen negatieve connotatie aan de godheid Janus met zijn twee gezichten. Hij moest eenvoudigweg beide kanten van de doorgang kunnen overzien en bewaken. Ook de doorgang van het verleden naar de toekomst. Daarom valt de maand van Janus, januari, samen met de doorgang naar het nieuwe jaar, de doorgang naar de nieuwe lenging van de dagen na de winterse zonnewende. Opdat ook die doorgang onder de hoede van de godheid goed zou verlopen.

Wie goed toeziet, zal herkennen dat hier een heidense tijdsopvatting en tijdsbeleving aan de orde is. En omdat we allemaal, ook al zijn we christenen, nog wel heidense oerlagen in onszelf hebben, zullen we die heidense tijdsopvatting en tijdsbeleving ook nog wel ergens in onszelf kunnen terugvinden. Tijd is hier een doorgang; een doorgang van gisteren naar morgen, van verleden naar toekomst; een aanhaken en doorgeven van het ene moment aan het andere. Dat is tijd natuurlijk óók. Maar als christen ligt onze prioriteit in het NU. Dat NU is namelijk niet domweg enkel de doorgang van verleden naar toekomst, van gisteren naar morgen. Dat mag de tijdsbeleving geweest zijn bij de oude Romeinen met hun Janus-god. Christenen mogen leven in een heel andere tijdsbeleving. Paulus in zijn Brief aan de Galaten (4, 4) noemt dat: leven in de volheid van de tijd; de volheid van de tijd, die met Christus’ geboorte is aangebroken, waardoor God ongehoord en rakelings nabij komt. Nú mogen wij ademen en leven en geloven in die volheid, in die nabijheid, dag aan dag in Gods hand en aan Gods hand en uit Gods hand; nú mogen en moeten wij doen wat uit Zijn hand onze hand te doen gegeven wordt, én dat meteen ook weer afgeven aan God, aan Gods voorzienigheid. Dát heeft prioriteit, dát is onze eerste waarheid. Leven als kinderen van de Vader. Niet naïef of kinderlijk of onnozel, niet blind voor de geweldige problemen en spanningen van dit ogenblik, maar dankbaar, vertrouwvol,  overgegeven, en dus beschikbaar. God is immers in Jesus mét ons, de Emmanuel, de God-met-ons bij uitstek, en wij kunnen en mogen dus elk ogenblijk met Hem zijn: dát is voor dit ogenblik, en voor elk ogenblik, het belangrijkste. Daarom leert Jesus  in het Onze Vader ook bidden: geef ons héden ons dágelijks brood. En dát gebed verhoort onze hemelse Vader –  en wel ook weer dagelijks, door precies voor vandaag te geven wat Hij voor ons vandaag nodig acht, opdat we morgen weer opnieuw zouden vragen en ontvangen.

Zo heeft ook Maria geleefd, en zo leeft ze voort in de hemel, als onze moeder en voorspreekster. Eindeloos open en beschikbaar in de volle breedte, en juist daarom totaal beschikbaar voor het heel concrete hier en nu: toen al in Nazareth bij de boodschap van de engel, en in de stal van Bethlehem voor wat de herders haar aan het hart legden, en ook, vanuit de hemel, voor wat nu haar in het oor wordt gefluisterd en aan het hart wordt gelegd. Het meest bekende en meest gebeden gebed tot Maria, het Wees Gegroet, speelt dan ook heel precies dáárop in: Heilige Maria, Moeder van God, bid voor ons zondaars, nu (NU!) en in het uur van onze dood. 

Zo mogen ook wij, alle dagen van dit nieuwe jaar, dag aan dag leven met de Emmanuël, God-met-ons, uit de hand van de Vader: eindeloos open en beschikbaar in de volle breedte, en juist daarom totaal beschikbaar voor het heel concrete hier en nu. Dát is voor nu, voor dit ogenblik, en voor elk ogenblik, het eerste en het belangrijkste.

Ik wens u graag een zalig Nieuwjaar, vol van zulke ogenblikken en zulke dagen.

Br. M.

KERSTDAGMIS 2022

De eerste aanwezigen bij de pasgeboren Jesus, de eerst aanwezigen bij de kribbe in de stal bij Bethlehem, waren volgens de traditie, door de profeet Jesaja eeuwen daarvoor al ingezet, de os en de ezel. De os en de ezel zijn lastdieren; bij de os is dat zelfs in zijn vlees ingeschreven. Veelzeggend dat juist zij, de lastendragers, de eerste aanwezigen zijn bij de pasgeboren Jesus! Als 30 jaar later Jesus verkondigend en genezend zal rondtrekken door Palestina, dan zullen weer diegenen vooraan staan die de lasten van het leven dragen. Vooral de blinden en de lammen, de doven en de stommen. En dat als een spiegel voor óns. Zij staan daar voor óns. Om óns in te prenten: ook wij zijn als blind en lam, als doof en stom, al hebben we het vaak niet eens in de gaten.

Op het eerste gezicht niet het geëigende thema voor Kerstmis! Maar zoals licht juist in het duister des te intenser schijnt, zo kan de vreugde van de verlossing des te krachtiger opspringen tegen de achtergrond van de lasten waaronder we gebukt gaan. Het evangelie van kerstmorgen maakt, om te beginnen, ons dan ook bewust van onze doofheid, van de last van onze innerlijke doofheid. We hoorden: het eerste en beslissende aan de binnenkant van ons bestaan is dat wij aangesprokenen zijn, aangesprokenen door het Woord dat bij God is en dat God is. Een aangesproken zijn dat samenvalt met ons schepsel zijn, daar waar wij uit Gods scheppende hand voortkomen. De mens is er niet eerst, en vervolgens wordt hij of zij aangesproken door het Woord van God. Bestaan IS aangesproken zijn door God. En God wacht op ons antwoord, zodat er een dialoog ontstaat. Maar wij zijn doven. En misschien wíllen we ook niet horen omdat we zelf als eerste en als laatste aan het woord willen zijn. Hoe dan ook, ons leven wordt geen ántwoord aan God en het komt niet tot een dialoog met God. Zo ontstaat de tragiek van ons bestaan. Omdat wij aan de buitenkant van onszelf leven, naar buiten gekeerd, naar buiten uitgeschud, zijn wij doof van binnen en vervreemd van ons diepste wezen van een door God aangesprokene te zijn. En door deze doofheid zijn wij als lammen geworden: we strompelen richtingloos voort en maken geen voortgang. – Dat krijgen wij door het evangelie van  kerstdag op ons bord gelegd. Zware kost!  

Maar nu komt het! God wil héél ver gaan om ons te genezen en weer op het pad van de dialoog te krijgen. Hij gebruikt niets minder dan een verbijsterende schokmethode: God past zich aan aan ons leven aan de buitenkant van onszelf, en komt ons nu ook (middellijk-onmiddellijk) concreet langs onze buitenkant aanspreken. Dát is het wat wij vandaag en elk jaar met Kerstmis vieren: dat in Jesus, in het Kind geboren uit Maria, gewikkeld in doeken, liggend in een kribbe in een stal bij Bethlehem, – dat in Jesus Gods Woord dat bij God is en dat God is, mens wordt en op ons toekomt om nu tegelijk diep van binnen én van buiten ons aan te spreken. In de woorden van het evangelie van vandaag: Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.

Nu kan de dialoog die niet op gang kwam aan de binnenkant van ons wezen, eenvoudig op gang komen aan onze buitenkant, in ons concrete leven, en vandaaruit ook de diepe dialoog aan de binnenkant van ons wezen wekken. Want nu hebben we Jesus’ woorden, nu kunnen we Jesus achterna gaan. En nu kunnen we Jesus, het mensgeworden Woord van de Vader dat bij God is en dat God is, eenvoudig herkennen in concrete mensen om ons heen, vooral in de zijnen in nood. Nu kunnen wij concreet antwoord worden. Zodat doorheen ons concrete leven eindelijk de dialoog met God op gang komt. Dat die dialoog zou lukken, daar is God wonderlijk veel aan gelegen. Daarom zijn schokmethode om mens te worden. En, nóg wonderlijker: Hij koppelt er ook nog een ongehoorde belofte aan vast: als we genezen zijn van onze doofheid, als we eindelijk Hem concreet antwoord geven en in  concrete ontmoetingen met mensen de dialoog met Hem aangaan, dan zal die dialoog openbreken en binnenleiden in de dialoog die van eeuwigheid is in God zelf. Dat is precies het perspectief, de belofte waar het verheven evangelie van vanmorgen op uitloopt, om  ook die op ons kerstbord te leggen: opgenomen worden in de dialoog tussen de Vader en het Woord dat bij God is, de dialoog tussen de Vader en de eniggeboren Zoon in de schoot van God, de dialoog tussen Jesus en Abba, zijn Vader.  Nu al op de wijze van voorproefjes hier op aarde, en eens voorgoed voorbij de tijden. En Kerstmis, de menswording van Gods Woord, is het scharnier!

Ik wens u graag een zalig Kerstfeest, – een Kerstfeest vol van dialoog, vol van díe dialoog.     

Br. M.

KERSTNACHTMIS 2022

Broeders en zusters,

De totale inflatie bedroeg in dit aflopende jaar ruim 10%. Dat betekent dat dit jaar onze gemiddelde koopkracht met ruim 10% is gedaald: we kunnen met dezelfde hoeveelheid geld nu  10% minder kopen of realiseren dan aan het begin van het jaar. Anders gezegd: we zijn collectief dit jaar ruim 10% armer geworden.

Zonder alle problematiek die daarmee gepaard gaat te bagatelliseren, maakt de bijzondere achtergrond van deze drastische inflatie wel een verschil. Die inflatie is vooral direct en indirect gevolg van de Russische inval in Oekraïne, en van onze keuze om achter Oekraïne te gaan staan, en afhankelijkheden van Rusland door te knippen, om zo de huidige en toekomstige slagkracht van Rusland te verzwakken. Door die samenhang krijgt de hoge inflatie een eigen kleur: de kleur van het offer. Het woord offer is een beetje uit de tijd geraakt. Maar nu hebben we het toch weer nodig. We offeren een stuk welvaart op, en dat geeft aan onze collectieve verarming bij alle hardheid een eigen, diepe kleur: een offer voor de goede zaak, een offer uit verbóndenheid. Er zullen er genoeg zijn die die verarming persoonlijk nauwelijks merken: het komt hun om zo te zeggen niet aan de huid. Maar er zullen er nog meer zijn, die dat wél aan den lijve voelen: 10% armer! – Laten we eens een denkoefening maken. Hoe zou het zijn als wij allemaal 100% armer zouden worden? Als dus alles wegvalt, en er niets meer overblijft dan het naakte leven en samenleven? Alles onder je weggehaald, elk ogenblik op het scherpst van de snede!

Nu kunnen we de stap maken naar het Kerstfeest. Want met Kerstmis viert de Kerk, dat Gód zich vrijwillig arm heeft gemaakt, en wel 100% arm heeft gemaakt, zich totaal heeft ontledigd: totaal weg en leeg gegeven door mens te worden, door de mens Jesus te worden. God, 100% arm geworden, totaal leeggegeven, in een kwetsbaar en afhankelijk Kind, in één van Bethlehems stallen, in een uithoek van de toenmalige wereld, aan de rand van de toenmalige samenleving (want neergelegd in een kribbe, een voedertrog voor beesten), om 33 jaren later nogmaals leeggegeven, gekwadrateerd leeggegeven en ontledigd zou je kunnen zeggen, wederom geheel onmachtig te eindigen aan een kruis, de meest vernederende dood die men kende. Daarom zijn dat – de kerststal en het kruis – ook de twee meest aangrijpende en meest specifieke en geliefde christelijke voorstellingen: een 100% arm geworden God, zichzelf weggegeven, leeggegeven. Je kunt er eindeloos lang naar kijken:  geraakt, verbaasd, verbijsterd.

Hier hebben we het woord offer weer nodig. De Kerk heeft steeds gevoeld: we kunnen dit niet plaatsen en niet verder ons eigen maken, tenzij langs dat woord offer.  Uit de pen van de apostel Paulus (2 Kor. 8,9) is een krachtige verwoording gevloeid: God is in Jesus Christus om onzentwille arm geworden, terwijl Hij rijk was, opdat wij rijk zouden worden door zijn armoede. God geeft zich leeg als een óffer voor òns : opdat wij rijk zouden worden door zijn armoede. God geeft alles op om als mens direct, aanschouwelijk en concreet ons te ontmoeten, zodat wij direct, aanschouwelijk en concreet Hem, God, zouden ontmoeten en betrokken raken in Gods eigen leven. Dat is de diepe gloed die ligt over het Kind in de kribbe: een weerloze uitnodiging van Godswege, een uiterste offer uit verbondenheid met ons, om ons te betrekken in een God-menselijke levens-verbondenheid. Dát is de rijkdom die God ons wil schenken door zelf arm te worden.

Dat vraagt om aangenomen te worden. God heeft de drempel van zijn kant totaal geslecht: tot een Kind in een kribbe toe, weerloos en arm. Wij hoeven van onze kant alleen nog maar ietsje mee te geven, alleen nog maar ietsje over te hellen, en de verbondenheid met God gaat ‘vanzelf’ rollen. Dat ietsje mag zeker, maar hoeft niet per se een heel bewuste keuze van  wil en verstand te zijn.  Je mag ook meegeven en geloven vooral met je ogen: door aandachtig langere tijd een kerststal te beschouwen zoals die overal wel opgesteld staan. Je mag ook meegeven en geloven vooral met je handen, door creatief uit te komen met minder voor jezelf, zodat voor anderen meer overblijft, en je gaat meegeven met Gods eigen weggevende, opofferende levensbeweging. Hoe dan ook, het zou zonde zijn, die uitnodiging van God om ons met Hem te verbinden domweg níet aan te nemen. Dank zij Kerstmis, dank zij God, 100% arm geworden en totaal leeggegeven in het kwetsbare en afhankelijke Kind in de kribbe, hoeven wij van onze kant alleen nog maar ietsje mee te geven, ietsje over te hellen, en de verbondenheid met God gaat ‘vanzelf’ rollen.

Ik wens u graag een zalig kerstfeest.

Br. M.

4e ZONDAG VAN DE ADVENT : JAAR A : 18 DECEMBER 2022

Dromen zijn bedrog is een ons allen een welbekende uitdrukking…zeker als iets prettigs wat je gedroomd hebt niet uitkomt. Anderen zeggen daarentegen: zonder dromen kom je niet verder en wordt bedoeld dat je mag dromen over iets nieuws, een droom die beschrijft hoe het anders zou kunnen in de wereld en dan denken we al vlug aan Maarten Luther King over een nieuwe toekomst voor mensen met een donkere huidskleur. Zijn droom heeft heel wat in beweging gezet.
Als we in de Bijbel over dromen lezen dan hebben  deze toch nog een diepere laag. In de Bijbel staat een droom voor een privé ontmoeting met God en de engel is de privé boodschapper van God. En tussen de opmerking dromen zijn bedrog en zonder droom kom je niet verder raken we vandaag aan het brandpunt dat er meer is tussen hemel en aarde dan we met ons verstand kunnen waarnemen en bevatten.

Dat wordt ons ook in het evangelie vandaag aangezegd in de zin die de engel sprak: “Jozef, zoon van David, wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen: het kind in haar schoot is van de heilige Geest”. En ontwaakt uit de slaap deed Jozef zoals de engel van de Heer hem bevolen had en nam zijn vrouw tot zich. Jozef wordt in dit evangelie een heel bijzondere en absoluut noodzakelijke plaats toebedeelt.
En om hem goed in te kunnen schatten is het nodig om te kijken naar hoe het Joodse huwelijk geregeld was. Ouders van nog jonge kinderen sloten voor hen een huwelijkscontract en daarmee was de verbintenis rechtsgeldig. Pas als de kinderen ouder waren, werd het huwelijk met een bruiloft geëffectueerd. Jozef was dus juridisch getrouwd, maar er had nog geen bruiloft plaatsgevonden. Ik kan me voorstellen dat hij naar de bruiloft heeft uitgezien en dan ontdekt hij, hoort hij misschien van Maria zelf, dat ze zwanger is. Hij kan gekrenkt en boos zijn. Hij kan de ouders en Maria aan het huwelijkscontract houden. Hij kan haar zelfs voor het gerecht brengen en dat zou tot een steniging van Maria kunnen leiden. Maar omdat hij rechtschapen was en haar niet in opspraak wilde brengen overwoog hij van haar te scheiden. Maar daarmee is de kwestie niet opgelost. Want Maria is zwanger en heel het dorp zal het zien. Mogen we de tekst misschien zo lezen dat Jozef haar wilde laten gaan naar elders…om haar de schande van een openlijke wegzending te besparen of nog erger.  

De plaats die Jozef toebedeeld is moet hij gaandeweg ontdekken en hij kan niet ontrafelen wat er gebeurd is en te gebeuren staat. Wat Jozef ons vandaag te zeggen heeft met zijn houding en reactie op de boodschap van de engel is veel verstrekkender dan dat we hem wellicht een rol van secundaire betekenis toedichten of erger nog een naïeveling vinden. Matteüs noemt hem ‘rechtschapen’ dat wil zeggen: hij laat zich in dienst nemen door God zoals het ook met Maria gebeurde en dan als God zo rakelings nabij komt raakt hij weliswaar in verwarring maar laat zich leiden door zijn droom die verder reikt dat hij zelf zou kunnen waarmaken. Hij verzet zich niet tegen de voor hem onbegrijpelijke manier waarop Gods bekommernis met de mensen zich toont. Hij doet zoals hem gezegd wordt, maar in de gehoorzaamheid van een duister geloof. En ontwaakt uit de droom laat hij het woord van God zwaarder wegen dan zijn eigen vragen. Hij stelt niet absoluut van wat hij zelf voor mogelijk of onmogelijk houdt. Hij durft vertrouwvol te luisteren naar de Ander, naar God. Door te doen wat de engel hem ingeeft wordt hij een andere Jozef, hij wordt de Jozef van Gods dromen over zijn wereld.
Het kind moet de naam Immanuël gegeven worden: God-met -ons. God van alle mensen. Jezus -God redt. Hoe verfrissend is het om naar Jozef te kijken en te luisteren terwijl hij geen woord spreekt: de man van en in de stilte. De man in de schaduw. Van hem leren we hoe belangrijk en goeddoend het kan zijn stil te worden en in de schaduw te staan, in plaats van steeds het volle licht op te zoeken; en de eenvoudige te zijn, te worden. Om ons leven als mislukt te ervaren als we niet voortdurend in de schijnwerpers staan. In de stilte en in de schaduw krijg je oog voor wat je overstijgt, in wiens licht je mag en kunt leven. Misschien willen ook wij wel eens weglopen van de plaats die ons toebedeeld is in het leven, maar dan ontdek je plotseling als in een droom dat op deze wijze vandaag en in de komende dagen, in je leven, de geboorte plaatsvindt van Jezus Christus. Hij die  persoonlijk redt is ook voor ieder van ons: Immanuël. Dat is Gods droom over ieder van ons.
Amen.

Br. R.

3e ZONDAG VAN DE ADVENT: A: Mt. 11,2-11: 11 DECEMBER 2022

Broeders en zusters.
“Zijt Gij de komende, of hebben wij een ander te verwachten?” Met deze vraag stuurt Johannes de Doper vanuit de gevangenis zijn leerlingen op pad om Jezus te bevragen. Misschien is dit ook voor ons een vraag, een vraag die leeft in ons eigen hart. Kennen wij Jezus als “de Komende”, als iemand die “komt”? Niet alleen als iemand die al ooit gekomen is, een paar duizend jaar geleden, maar als iemand die nu nog steeds “komt”; die nu nog altijd “komende” is, die nog altijd onderweg is naar ons toe?

Die vraag of Jezus voor ons de Komende is, mag ons niet te snel bevreemden, want ze is best heel wezenlijk. Kennen wij Hem als iemand die op zeker moment op weg is gegaan, die toen begón met te “komen”? En ons ieder afzonderlijk tegemoet komt sindsdien? In één woord: zien wij in Jezus iemand die ons ZOEKT? Die onophoudelijk en onvermoeid Zijn weg herneemt om ons mee te voeren op die weg naar daar, waar Hij vandaan gekomen is?
Dat Jezus iemand zou zijn die “komt”, die ons zoekt, mag ergens toch ook wel enige verbazing wekken. Want eigenlijk zouden WIJ het moeten zijn, die naar Hém zouden moeten gaan. Wij zouden naar Hem moeten gaan, een poging moeten doen ons met Hem te verzoenen. Want wíj zijn het die de fout in zijn gegaan. Die zoveel hebben nagelaten te doen voor andere mensen. Die achter gehouden hebben van onze rijkdom. Die zowel hun materiële- als hun immateriële rijkdom niet met anderen hebben willen delen. In de wereldreligies is het gewoonlijk dan ook de mens die van zijn kant degene is die moet komen. Verzoening of bevrijding is alleen maar mogelijk als de mens zélf een weg opgaat, zélf verzoenende handelingen stelt, omdat hij het is die iets goed te maken heeft. Omdat de mens zelf het is die bevrijding behoeft. Des te meer verbazing mag het dan ook wekken, dat het bij ons, christenen, omgekeerd is. Niet de door egoïsme aangetaste mens is het die toenadering zoekt, die komt, maar God zelf komt in de persoon van Jezus op ons toe. God wacht niet tot de schuldigen komen om zich te verzoenen; Hij gaat hun het eerst tegemoet en verzoent hen.

Aan ons is het die onophoudelijk komende Jezus wélkom te heten. “Nu zijt wellekome”, zoals het Kerstlied zegt. Aan ons is het die niet nalatende Jezus niets in de weg te leggen, liefst geen strobreed. Zijn komen niet te hinderen. Hoe wij dat moeten doen? Twee dingen zijn hier belangrijk. Het eerste betreft God zelf. Het tweede heeft allereerst betrekking op ons eigen zelf.
V.w.b. het eerste, v.w.b. God zelf dus, is het belangrijk dat Hij gekénd wordt. Dat men althans enigermate besef heeft wat dat leven van Jezus eigenlijk betekent. Maar dat veronderstelt wel interesse van onze kant. Het hebben van vragen is in dat verband van groot belang. Ook die vraag van Johannes de Doper of Jezus de Komende was, of dat zij een ander te verwachten hadden, getuigt van interesse in Jezus’ persoon. Een vraag voor menigeen vandaag de dag zou bijvoorbeeld kunnen zijn wat een Eucharistieviering toch eigenlijk betekent. Hádden mensen maar zulke vragen en stelden ze die ook maar! God zou beter gekend zijn als we wat meer vragen hadden te stellen.
Het tweede dat Jezus’ komst blokkeert is de min of meer geringe kennis die wij van ons eigen zelf hebben. Zelfkennis is weten dat je maar een uiterst schamele mens bent, als je jezelf met Jezus vergelijkt. Zijn goede boodschap is niet dat wij zulke fantastische mensen zijn, maar precies het tegenovergestelde. En toch is ze veel bemoedigender en biedt ze veel meer troost. Want door Jezus weten we dat Gods vergeven-de Vaderliefde ons deel is. Dat Jezus ons namens Zijn Vader komt vergeven.
We hoeven geen schrik te hebben voor onze morele armoede; ons egoïstisch falen mogen we gerust onder ogen zien. Immers: Jezus’ komst heeft de wereld uit zijn hengsels gelicht. En ze BLIJFT de wereld uit zijn hengsels lichten om ons op te tillen tot bij God. We mogen er zeker van zijn: we hebben geen ander te verwachten. Amen. 

Br. J.

2e ZONDAG VAN DE ADVENT : A : Mt. 3, 1-12 : 4-12-2022 :

Broeders en zusters,

Dit weekend en ook morgen zal voor menig huisgezin in het teken staan van Sinterklaas. Vooral een kinderfeest. Een feest van verlanglijstjes. En vol verwachting klopt het kinderhart:  zullen mijn wensen worden vervuld? Zeker: een kinderfeest, maar ook een spiegel voor ons volwassenen. Minstens onbewust zijn we immers vaak nog kinderlijk. We hebben zo onze verlanglijstjes voor ons leven. En vol verwachting klopt ons hart. Of, omdat die verlanglijstjes niet vervuld werden, zijn we zo teleurgesteld, dat we alle verwachting maar hebben weggegooid, en om zo te zeggen ‘doffe’ mensen zijn geworden, zonder verwachting. In beide gevallen gingen we ervan uit, dat onze verlanglijstjes verstandig en wijs waren. We weten echter bij kinderen, dat hún verlanglijstjes vaak niet zo verstandig zijn. Zou dat bij ons volwassenen anders zijn?

Kerkelijk vieren we vandaag de 2e Zondag van de Advent. Advent is dé tijd van verlangen en verwachting. Maar tegelijk van bekering, waar het evangelie vandaag zo fors over handelde. Die twee, verlangen en bekering, horen namelijk samen. Het gaat om bekering wég van onze eigen verlanglijstjes, zodat de verwachting van ons hart vrij wordt gemaakt en kan openkomen voor het onverwachte, voor wat God ons wil schenken. Voor  geschenken van God geldt in het algemeen: bitter in de mond, zoet in het hart. Dat wil zeggen: aanvankelijk vallen ze tegen en geven ze een bittere smaak. Ook al daarom stonden ze niet op ons verlanglijstje. Gods geschenken zijn veelal harde kost. Je moet er lang en hard op kauwen, wil je ze kunnen doorslikken en verteren. Maar dán, achteraf, blijken ze voedzaam en heilzaam. Ja zelfs zoet in het hart. Want ze blijken je tot wijzere mensen te hebben gemaakt, nauwer verbonden met de waarheid en het mysterie van het leven, nauwer verbonden ook met de Gever, met God. Want diep in elk geschenk van God zit steeds ook Zijn geschenk-bij-uitstek mee verpakt: de heilige Geest, die vuur en liefde is.

Vandaag geeft God ons in het evangelie enkele geschenken via zijn koerier Johannes de Doper. Allereerst het geschenk van een dreigende vermaning. Een vermaning horen we niet graag, laat staan een dreigende vermaning, en al helemaal niet een dreigende vermaning als geschenk. Maar we krijgen hem wel, en we krijgen hem als een Godsgeschenk. Gods vermaning via Johannes de Doper houdt in: pas op, je leven kan ook mislukken, je kunt wegen gaan waarop je langzaam maar zeker jezelf en je diepste bestemming verliest.  Bekeer je dan. Kijk eerlijk naar de vruchten van je leven, want daaruit blijkt het beste in welke richting je gaat. En de vruchten van je leven zijn dan niet wat je hebt opgebouwd en verwezenlijkt. Dat zijn de werken van je leven. Maar daarnaar vraagt de dreigende vermaning vandaag niet. Het gaat om de vruchten van je leven: dat is alles waaruit blijkt of je het geheim en de kracht van het leven, van jouw leven, zó hebt vorm gegeven en doorgegeven dat ook anderen ervan kunnen plukken en gedijen, zoals van de goede vruchten van een boom. In die richting moet je gaan, anders loop je mis.

Het tweede Godsgeschenk vandaag is dat van een belofte. God belooft komende te zijn. Hij belooft op een nieuwe manier onder ons te komen. Ons leven hoeft geen vlak, uitzichtloos en dof leven te zijn. Door zijn belofte dat Hij komende is, schenkt God ons te leven in grote verwachting. Ook dat geschenk zal niet op het verlanglijstje van ons leven hebben gestaan en ons dus in eerste instantie teleurstellen. Wij ervaren alleen vervulling van onze wensen en verwachtingen als een geschenk. En nu schenkt God ons juist geen vervulling maar verwachting: méér en intenser en  uitgezuiverder verwachting. Een verwachting bevrijd van onze eigen verlanglijstjes, opdat ze zo wijd en open zal worden, dat God kan geboren worden, niet alleen in de kribbe van Bethlehem, maar ook in ons. Zó krachtig en diep is het te mogen leven in een bekeerde en bevrijde verwachting: een steeds intenser wordende verwachting als Gódsgeschenk.

Amen.

br. M

1e ZONDAG VAN DE ADVENT : A : 27 NOVEMBER 2022.

Met deze eerste zondag van de Advent begint het wachten op de viering van de herdenking van Jezus’ geboorte in Bethlehem. We hebben nog vier weken te gaan en vandaag  kunnen we ons de vraag stellen hoe we deze tijd van wachten doorbrengen. Ongetwijfeld gaan onze gedachten uit naar een mooi Kerstfeest en de vraag wat we daarvoor nodig hebben. Nodigen we familie of vrienden uit? Zijn we druk met het menu van de Kerstdagen? Wie door de winkelstraten loopt ziet een nostalgisch beeld van wit gespoten kerstbomen en etalages met een hoog wintereffect: sneeuw  en sleeën. Eigenlijk zou je zeggen: niet meer van deze tijd. 

In de liturgie van deze zondag horen we een ander geluid zo lijkt het maar sluit toch haarfijn aan bij wat we zien en meemaken als we niet verder komen dan de drukte van het menu en nostalgische koude winters : zoals het ging in de dagen van Noach: zoals de mensen doorgingen met eten en drinken, met huwen en ten huwelijk geven en niets vermoedden totdat de zondvloed kwam en ze wegrukte. Het evangelie lijkt een flinke spelbreker in het zoete meedeinen op de zorg om toch vooral van Kerstmis een mooi feest te maken.
Natuurlijk is er niets tegen een mooi en feestelijk Kerstfeest. Integendeel. Maar ten diepste gaat het om een ontmoeting en wel een heel persoonlijke ontmoeting met de geborene: Jezus. En in deze tijd van wachten zal de intensiteit van de verwachting ook de graadmeter blijken te zijn van onze verbondenheid met Hem. En andersom: de kracht en de authenticiteit van onze verbondenheid met Jezus bepaalt ook de sterkte en de invulling van onze verwachting. Zo krijgt de Advent een invulling die ons verder en dieper leidt omdat Jezus de Komende is: Hij komt naar ons toe en om Hem niet te missen spreekt het evangelie vandaag over waakzaamheid omdat de Komende, Die er al is, nog op twee andere momenten zal komen: en wel op het einde der tijden als Hij alles zal voltooien en als Hij komt in het einde van ons leven hier op aarde.
Daarom is deze Adventstijd elk jaar als het ware een stage periode voor alle christenen. Weest waakzaam want je weet niet op welk uur de Heer komt. Advent wil ons inoefenen om altijd te leven in de tegenwoordigheid Gods. Om die waakzaamheid gaat het.

Hoe dramatisch de woorden van het evangelie ons ook in oren klinken: het gaat nog steeds om de ontmoeting met Jezus die voor ons een vreugde te weeg brengt die groter is dan alles wat we zouden kunnen verzinnen als een bijdrage aan een feestelijk Kerstmis. Waar Hij niet het middelpunt is door onze verbondenheid met Hem valt eigenlijk niets te vieren. En dat beseffend worden wij tot mensen van dankbaarheid voor de woorden uit de heilige Schrift die Jezus eigen woorden zijn. Onze tijd van wachten op Zijn komst wordt zo een tijd van werken aan deze verbondenheid in stilte en gebed, overweging en meditatie en daar tijd voor vrijmaken om ons bewuster te maken dat we leven in Zijn tijd, om ons bewuster ervan te maken te leven in Zijn tegenwoordigheid die Licht brengt in eigen leven en door ons ook licht brengt in het leven van anderen: Hij wordt geboren voor alle mensen.
Zo wordt de Advent een uitzien naar: en naar  Jesaja luisterend ons aansluitend bij zijn visie: Kom, laat ons optrekken naar de berg van de Heer. Hij zal ons wegen wijzen. En dan ziet hij dat zwaarden omgesmeed worden tot ploegijzers en speren tot sikkels. Kom, laat ons wandelen in het licht van de Heer.

Advent is de uitnodiging opnemen, aannemen dat vrede mogelijk wordt, meer mogelijk wordt als we de Ander – God – verwachten in Jezus die ons uittilt boven ons menselijk kunnen. En ook bij ons lukt dat maar als we de stilte zoeken om het geheim te ontdekken dat Jezus er al is en het om Hem gaat. Teveel schreeuwen mensen tegen elkaar dat het wel degelijk over henzelf gaat: mijn recht, mijn gelijk, mijn werk, mijn loon, mijn vrijheid. Mijn vrijheid eindigt waar de vrijheid van anderen beknot wordt of mijn vrijheid ten koste van anderen gaat. Als we in de huid van de profeet Jesaja kruipen dan beseffen we dat Advent ook wil zeggen: dat we nooit moe worden onrecht te herkennen en aan te klagen en met de geloofszekerheid de mensen toe te wensen: alle goeds. Advent roept op om aan mensen alle goeds te doen. Gods geboorte in Jezus is betrokken op alle mensen. Die diepte en reikwijdte heeft de Advent als voorbereiding op het feest van Kerstmis dat we zo graag en er ook oprecht naar verlangend dat het een feest van vrede mag zijn.
Leven in Gods tegenwoordigheid helpt ons hier elke dag aan te bouwen. In verbondenheid met de Levende als goede vriend verdwijnt  de angst voor de wakende woorden dat de Heer zich in ons leven  onverwacht kan aandienen. We hebben de vervulling van al onze verlangens en de zin van ons leven ontdekt in de Komende die ons rust geeft en aanzet tot een leven van navolging. Misschien denken we: daar ben ik niet groot genoeg voor. Of beter gezegd: daar ben ik niet klein genoeg voor. Waar God opnieuw geboren wordt gebeuren wonderen.
Amen.

br. R.

CHRISTUS KONING : C : Lc. 23, 35-43 : 20 NOVEMBER 2022

Broeders en zusters,

Christus Koning als een eigen feest is nog niet zo oud. Het is pas ingesteld in 1925. Andere liturgische feesten zijn veel ouder. Maar in die jaren ’20 van de vorige eeuw, in het vacuüm dat de Eerste Wereldoorlog had achtergelaten, als er alom de roep komt om een sterke man die weer orde in de chaos kan scheppen, en er de bereidheid en zelfs de behoefte groeit om fascistisch-quasi-religieus zo’n sterke man blind te volgen, acht de toenmalige Paus, Pius XI, het nodig daar een krachtig NEE tegenover te stellen: NEE! Chrístus, en Christus alléén, is de ware koning van tijd en eeuwigheid, en niets en niemand anders!  Die specifieke ontstaanstijd van het feest van Christus Koning is intussen min of meer voorbij. Toch is het feest nog steeds actueel. Ook in onze huidige cultuur melden zich heersers – heel veel zelfs! – die met een onaantastbaar aura omgeven zijn. In onze huidige cultuur is elke mens zichzelf tot koning. Elke mens beslist zelf over de zin of zinloosheid van z’n leven: het absolute koninkrijk van het zelfstandige, zelfredzame individu. Ook hier moet een NEE tegen klinken: NEE: niet is iedere mens zichzelf tot maat, Christus is de maat van jouw leven; Christus, en Christus alleen, is de ware koning van jouw leven, en niet jij zelf!! Het gaat er niet om, wat er aan goeds zit in zelfstandigheid en zelfredzaamheid te ontkennen. Het gaat erom, het eenzijdige en overtrokkene, het ideologische en dus afgodische ervan te doorzien. Grote stukken van ons menszijn vallen hier buiten beeld: stukken die dieper in het geheim van het menszijn reiken dan zelfredzaamheid en onafhankelijkheid, stukken die openstaan voor het koninklijke van Christus, die ons tot hoogste en laatste maat is.

Het evangelie van vandaag tekent dat koninklijke van Christus verder uit. Drie keer wordt daar de gekruisigde Jesus tot zelfredzaamheid uitgedaagd. En drie keer gaat Jesus er niet op in. Eerst spotten de overheidspersonen: Anderen heeft Hij gered; laat Hij zichzelf eens redden als Hij de Uitverkorene van God is! Kort daarop voegen ook de soldaten Hem spottend toe: Als Gij de koning der Joden zijt, red dan uzelf! En tenslotte hoont een medegekruisigde moordenaar, die als de slechte moordenaar de geschiedenis in zal gaan: Zijt Gij niet de Messias? Red dan uzelf en ons! Driemaal diezelfde suggestie: red jezelf! Maar zelfredzaamheid en zelfstandigheid boeien God en Jesus helemaal niet. Die leven in een heel ander soort macht.

Jesus’ koninklijke macht leeft zich daarin uit, dat Hij koninklijk-absoluut overgegeven en afhankelijk kan en wil zijn van God zijn Vader, en volstrekt beschikbaar kan en wil zijn voor ons, zijn broeders en zusters. Jesus’ koningsmacht leeft zich daarin uit, dat Hij zichzelf helemaal niet wil redden of met zichzelf bezig is, maar juist reddeloos wil worden om ons te redden, onze reddeloze plaats wil innemen, opdat wij de zijne in de schoot van de Vader zouden kunnen innemen, dat Hij ten einde toe de weg van het offer en de zelfvergeten plaatsvervanging gaat. Jesus is bij machte enkel en alleen uit liefde leven. En dát is de echte macht, de goddelijke macht.

Jesus is daarin zozeer Heer en Meester, dat Hij ons graag deelname eraan gunt.  Dat begint ermee, dat Hij ons in staat stelt te leven in steeds grotere afhankelijkheid van God, in steeds grotere overgave aan de Vader, en wij de enorme kracht en macht en vrijheid van de overgave gaan ontdekken; en dat wij onze menselijke zwakheden en kwalen en beperkingen en  onmacht gaan liefhebben en aangrijpen als springplanken om je meer en meer over te geven aan God. En dat wij gaan ontdekken dat de zelfredzamen helemaal niet zo benijdenswaardig zijn, omdat ze weinig rafels, weinig kieren en gapingen en dus weinig springplanken hebben en moeilijker tot overgave zullen komen. Ja, de macht en de kracht van de overgave aan de Vader! Dát maakt ons – hoe zwak we ook zijn – tot krachtige en machtige mensen, tot vrije mensen, zó vrij, dat wij soms onszelf gaan vergeten en kunnen deelnemen aan Jesus’ plaatsvervangende liefde.  Hoe dat eruit ziet? In plaats van een ander diens last dragen, bijvoorbeeld. Draag elkanders lasten, zo zult ge de wet van Christus vervullen, zegt Paulus in zijn Galatenbrief (6,2). Of ook: draag de smaad die eigenlijk een ander toekwam. Of: ruim andermans vuile was maar op. Of: ga in plaats van een ander voor God staan en echt voor die ander biddend instaan bij God. Welke vorm van plaatsvervangende liefde we ook kiezen, of op ons hart en op onze weg gelegd krijgen: het zal ons doen delen in het koninklijke van Christus. Hoe meer we leven in de overgave aan God, des te meer zal ons leven krachtig en vrij worden –  kóninklijk worden.
Amen.

Br. M.

ZONDAG 33 DOOR HET JAAR: C: Lc. 21,5 – 19: 13 NOVEMBER 2022

Broeders en zusters,

Jezus geeft ons in het evangelie een vooruitblik op de wereldgeschiedenis die na Hem komt. Na Hem laten we onze jaartelling ook pas beginnen: we zijn pas gaan tellen vanaf Zijn geboorte, en dan komen we nu uit op het jaar 2022. We spreken tegenwoordig wel vaker over “aan de goede- of aan de slechte kant van de geschiedenis staan”. Bedoeld wordt dan dat er mensen zijn die slecht, of zelfs verdorven gedrag vertonen. Die staan dan natuurlijk aan de foute kant. Het criterium is dan vaak – vanuit Westers perspectief – de oorlog in Oekraïne. De man die er vrijwillig in slaagt alsmaar verder in de fuik te zwemmen en zichzelf zo alsmaar verder in het nauw te drijven, staat aan de verkeerde kant, zoveel is duidelijk. Aan de andere kant van de geschiedenis, de goede kant, bevindt zich dan Volodimir Zelenski, de leider van het aangevallen land. Die is uit hetzelfde hout gesneden – zo wordt dan beweerd – als indertijd Winston Churchill en geen type om te vluchten naar het buitenland.

Jezus noemt veel onheil op dat zich zal gaan voltrekken. “Er zal strijd zijn van volk tegen volk”, zo zegt Hij, maar zelf voert Hij een andere strijd en weet Hij dat de Enige die het echt toe komt te oordelen over de mensen en de geschiedenis Zijn God en Vader is. Ons maant Hij niet te oordelen: “Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt”. Het zal al die arme slachtoffers van agressie – althans de gelovigen onder hen – misschien al helpen zich te realiseren dat hun oordeel maar een
voorlopig oordeel is, en dat ze het echte oordeel – wie aan welke kant van de geschiedenis staat – met een gerust hart aan God kunnen overlaten.

Jezus voert ondertussen die andere strijd. Het is Zijn eigen geschiedenis die zich eens in de tijd, historisch, maar ook voorgoed en definitief, met die van de mensen en de wereld verbonden heeft. In al wat menselijk en voorlopig is heeft God zich in Zijn Zoon toegang verschaft; er staat voor God sinds Zijn Zoon mens werd een deur open in de wereld om zich al wat menselijk is toe te eigenen. Aan al het menselijke falen en tekortschieten te beantwoorden met de unieke alleen aan God eigen overvloed aan gerechtigheid die Hij in Jezus vindt. De geschiedenis is vervult, zo weten christenen.     

En dan is er natuurlijk ook nog onze eigen persoonlijke geschiedenis. We gaan onze weg, met vallen en opstaan, en hebben allemaal onze eigen accenten en voorkeuren. Misschien lopen we ergens warm voor of is het ons allemaal meer om het even. Jezus zei zojuist: “Het zal voor u uitlopen op een getuigenis”. Een getuigenis voor Hém uiteraard. “Ge zult een voorwerp van haat zijn voor allen omwille van mijn Naam”, zei Hij ook nog. De vraag laat zich dan stellen wie zulk een getuigenis ook werkelijk gééft; wie gééft een getuigenis van Jezus? Mensen die zich neerzetten in de kerk- en koorbanken? Mensen die te midden van onheil voor anderen in de bres springen? Denken we maar eens aan mensen die voor het Rode Kruis werken en gewonden verzorgen? De vraag aan welke kant van de geschiedenis wij zelf ons bevinden kan beantwoordt worden met een tegenvraag: hoe onttrokken zijn wij aan onszelf? In hoeverre geven wij onszelf weg aan anderen? Aan God en aan mensen? 

Een laatste vraag zou dan worden: HOE komen wij ertoe onttrokken te zijn aan onszelf? Is die vraag niet een vraag naar het zwaartepunt in ons leven? Welk accent leggen wij? Leven wij vooral voor onszelf? Is ons denken en voelen, ons willen en streven vooral vlak – oppervlakkig? Hoe belangrijk is dan wel niet die ene keuze: op wie of wat focus ik mij in mijn leven? En hoe vrijblijvend of verplichtend verhoudt ik mij tot die keuze??

Steeds opnieuw maken wij keuzes; telkens weer moeten eenmaal gemaakte keuzes wáár gemaakt worden. Wij schrijven zelf geschiedenis en kunnen zoeken naar wat de geschiedenis trotseert; wat alle tijden door zal standhouden. Dat zal geen tempel of kathedraal zijn: “Geen steen zal op de andere gelaten worden”. Wél houdt Hij stand die zei: “Breekt deze tempel af en in drie dagen zal Ik hem doen herrijzen” (Joh. 2,19).
Amen.

Br. J.    

ZONDAG 32 DOOR HET JAAR C : Lc. 20,27-38 : 06-11-2022 

Broeders en zusters,
Is met dit leven alles afgelopen, of is er nog iets dit leven ? Allemaal stellen we ons die vraag wel eens, vooral als je in je naaste omgeving een sterfgeval meemaakt, of als je indringend voelt hoe broos en sterfelijk jouw leven is. Het is – als we ze echt in ons toelaten – een aangrijpende vraag, té belangrijk om ze enkel met voorgegeven standaardantwoorden af te doen. In het evangelie van vandaag treffen we drie onderscheiden richtingen aan rondom die vraag.  In de confrontatie met die drie overtuigingen kan onze persoonlijke geloofsintuïtie wellicht rijpen…

De eerste overtuiging ligt vervat in die vreemde vraag waarmee in het evangelie van vandaag de toenmalige Joodse groepering van de Sadduceeën Jesus benadert: hoe het met een vrouw zit met wie uit heel nobele motieven achtereenvolgens – de één na de ander stierf – zeven broers getrouwd zijn geweest: met wie van die zeven zou die vrouw in een hiernamaals dan wel getrouwd zijn? Met alle zeven soms? Ze bedoelen met die vraag te suggereren hoe absurd het is te geloven dat de lijn van ons aardse leven doorgaat ná dit leven. De mens is gemaakt uit de aarde en keert terug tot de aarde. In je aardse levenstijd moet het gebeuren, daarna is het voor jou voorbij. Een opvatting die ook tegenwoordig volop bestaat, – zelfs onder gelovige mensen, zoals ook die Sadduceeën
gelovige Joden waren: leef je leven voor Gods aanschijn, pluk de dagen die je krijgt in dankbaarheid, en heb daar vrede mee, want meer komt er niet. – Deze overtuiging mogen we serieus door ons heen laten gaan.

De tegenpool van deze opvatting hoopt en denkt dat de lijn van ons leven en van onze levensverbanden na onze aardse levenstijd wél doorgaat, ongebroken, maar dan zonder lijden en pijn; hoopt en denkt dat alles wat in dit al te korte leven onvervuld en onaf bleef, ons dán in de schoot zal worden geworpen.  Vaak gaat hiermee een naïef-concrete voorstelling van de hemel gepaard, waarin onze afgebroken wensen en verlanglijstjes eindelijk vervuld worden. Die opvatting zou ook in onszelf kunnen leven; we mogen ze gerust door ons heen laten spelen.

Jesus echter deelt
beide opvattingen niet. Jesus begint helemaal niet bij de mens, noch bij  zijn aardegebondenheid, noch bij zijn onvervulde wensen en afgebroken dromen. Voor Jesus is reeds dit aardse leven ánders dan deze twee overtuigingen het beleven: met véél meer mysterie omgeven. En daarom is voor Hem hetgeen ná onze dood gebeurt óók  véél geheimenisvoller. Voor Jesus is hét beslissende en wonderlijke in dit leven, dat God  een uniek verbond aangaat met ieder mens persoonlijk die maar wil. God wil de God van Abraham zijn, en de God van Isaäk, en de God van Jacob, en de God van u en van mij, en bovenal, all inclusive, de God en Vader van Jesus. Even zovele  keren van God uit een unieke en trouwe band waarin zich een avontuur van persoonlijke liefde voltrekt, een band vol verrassingen, vol léven zoals Jesus het noemt. Jesus beleeft en beziet alles vanuit die band, óók de vraag of dit aardse leven alles is. Als God met iemand persoonlijk zulk een band van verbondsliefde aangaat, dan ontspringt dat niet aan ònze mogelijkheden, maar aan Góds mogelijkheden, en die breken niet af en die stoppen niet met onze dood.

Hoe we ons dat leven na de dood dan verder moeten voorstellen, blijft een grote verrassing, zoals ook nú al, in dit aardse leven, dat verbond met God vol verrassingen is. In ieder geval zal die verbondsband met God dan nóg intenser worden. Volgens een beeld van Jesus in het evangelie van vandaag
zullen we zijn als engelen, waarmee Hij wil zeggen, dat we totaal vervuld zullen worden van Gods liefde, dóór en dóór kind van God, en daar helemaal vrij voor zullen zijn op een manier die voor ons aardse mensen nu nog onvoorstelbaar is. – Maar we worden al door Jesus uitgenodigd  te delen in zijn overtuiging; om al op het spoor te komen van God, die nú al met ieder van ons een verbond  aangaat, – een verbond vol verrassingen, goddelijke verrassingen, te veel en te groot dan dat ze binnen dit ons aardse leven al vergeven zouden zijn.
Amen.

br. M.

ZONDAG 31 DOOR HET JAAR : C : Lc. 19,1-10 : 30-10-2022 

Broeders en zusters,
Het verhaal over Zacheüs is schilderachtig. Zacheüs, klein van gestalte, klimt – al is hij een gewichtig man: hoofd der belastingen – in een boom om over de mensenmenigte heen Jesus te kunnen zien. Maar niet wat hij doet is in dit verhaal beslissend, maar wat áán hem gebeurt. Er gebeurt aan hem een omkering: een omkering van perspectief, een omslag in zijn bewustzijn, een omvorming van zijn leven. Verschillende onderdelen in het verhaal willen dat onderlijnen, om ons te helpen zelf in die omkering mee te gaan.
Als Jesus langskomt en omhoog kijkt, en Zacheüs in de boom ziet, zegt Hij: Zacheüs, kom vlug naar beneden, want vandaag moet Ik in uw huis te gast zijn.  Jesus noemt zich wel gast. Maar eenmaal als gast binnen, gedraagt Jesus zich niet als gast, past Hij zich niet aan. Het is andersom: Zacheüs gaat zich aanpassen aan Jesus, als was Jesus de eigenlijke gastheer. Zacheüs gooit zijn zonden van zich af, gooit zijn corruptie van zich af (waardoor hij in het toenmalige belastingsysteem zo’n rijke tollenaar was kunnen worden), wil teruggeven én – vierdubbel daarbovenuit – overvloedig méér geven, zoals Jesus zelf altijd overvloedig is; kortom: Zacheüs past zich aan aan Jesus, vormt zich naar Jesus. Jesus blijkt de eigenlijke gastheer: Hij neemt Zacheüs bij Zich op in Zijn levenskring en leefvorm.
Daarom wordt dit evangeliegedeelte vaak gelezen  bij de inwijding van een kerk of bij de jaarlijkse  herdenking daarvan. Wij bouwen met mensenhanden een kerkruimte, in de hoop dat de Heer bij ons te gast wil zijn. Maar door wát in die kerkruimte gebeurt, is Híj niet meer ònze gast, maar blijken wíj Zìjn gasten! In de Eucharistie brengen wij eerst ónze gaven aan, maar die breken open en worden omgevormd tot – omgekeerd – Zìjn gaven aan ons. En bij de communie nemen wij dan Zijn gaven in de gestalte van Brood en Wijn in ons op, en verteren die in ons lichaam, in ons wezen. En dan breekt nogmaals iets open: dan blijkt, dat niet zozeer wíj Hèm opnemen en verteren, als kracht voor onze levensweg, maar dat – omgekeerd – Híj òns opneemt en verteert! Hij neemt ons op in Zijn leefkring, vormt ons om tot Zijn mystiek Lichaam, tot Zijn leven!  Dat wat Zacheüs overkwam, overkomt hier in de kerkruimte ook ons, maar dan sacramenteel en dus nog inniger.

Nóg een ander moment van omkering: Zacheüs wil Jesus zien, en als het ogenblik daar is, blijkt hij te wòrden gezien door Jesus, en dát blijkt het beslissende! Zachéüs zoekt Jèsus, maar het blijkt dat Jésus hèm al zocht: De Mensenzoon is immers gekomen om te ZOEKEN, en om te redden wat verloren was. Weer die omwisseling van perspectief: als wíj de Hèèr zoeken, breekt open dat de Héér òns al zoekt, breekt het inzicht open dat Hij ons al gezien en gevonden had en wij al gevonden wàren!, en dat ons – in de woorden van Jesus tot Zacheüs – heil ten deel is gevallen: heil in omvattende zin. Van dan af, vanaf die beslissende omkering van perspectief en van bewustzijn, láten wij ons zoeken en aanzien door de Heer, en láten wij ons vinden door de Heer, en láten wij ons opnemen en omvormen in Hem, en láten wij ons overvloedig weggeven méé in de beweging van Zijn overvloedig wegschenken van Zichzelf. Dat laatste is wel de markantste uitwerking van ons binnengehaald zijn in het heil, zoals bij Zacheüs dat vierdubbele teruggeven. Dat overvloedige is immers zó markant in hoe God handelt, hoe Jesus handelt! En dat gaat nu over in ons! Als wij overvloedige aandacht en zorg in ons laten opwekken en die doorgeven aan wie ze nodig hebben, of overvloedige gulheid, of overvloedige tijd (ook bijvoorbeeld in voortdurende voorbede), dan vloeit het heil al door ons heen, zoals door Zacheüs. Dan worden wij kleiner en wordt Christus in ons groter (cf. Joh. 3, 30). Dan is de omvorming in Christus al gaande: totdat eenmaal, in de woorden van de apostel Paulus (cf. Gal. 2, 20), niet wij meer leven, maar Christus in ons.                                                                                                                      Amen.

br. M.


ZONDAG 30 DOOR HET JAAR : C : Lc. 18, 9-14 : 23-10-2022 

Het evangelie van deze zondag zal ons allemaal bekend zijn als de parabel van de farizeeër en de tollenaar zeker ook vanwege het tot onze verbeelding sprekend verhaal en de ook nu nog veel gebruikte uitdrukking: wie zich verheft zal vernederd, maar wie zich vernedert zal verheven worden. En we gebruiken die uitdrukking als iemand de kous op z’n kop krijgt omdat hij dacht het wel te weten of iets te kunnen bij iemand die zich graag boven de massa verheft. Of als juist het tegenovergestelde gebeurt. Met deze uitleg lijkt het evangelie dan ook niet al te moeilijk. Toch is het evangelie niet zo probleemloos als het op het eerste gezicht lijkt. Natuurlijk gaat onze sympathie in eerste instantie uit naar de arme tollenaar vanwege zijn nederige houding. Maar ik moet u zeggen dat ook de farizeeër mijn sympathie heeft. Sympathie in de zin van dat ik met de man te doen heb. Als een goede Jood houdt hij zich precies aan de wet: hij heeft van de Torah zijn leven gemaakt: hij onderhoudt en probeert ze gaaf door te geven, hij doet nog veel goede werken waartoe de wet hem niet verplicht, draagt zijn tienden af, vast tweemaal en doet voor de rest geen vlieg kwaad. Misschien herkennen we dat geluid en ook bij mezelf: ik doe m’n werk goed, betaal idd belasting, probeer niet te klagen. We zeggen: ik ben vrijwilliger, heb niemand vermoord, niemand heeft last van me. Deze vorm van eigen lofprijzing lijkt helemaal los te zijn gekomen van het gegeven dat alles wat we hebben en zijn gekregen hebben. En al helemaal naar God toe. Bij de farizeeër gaat het mis als hij tegenover God dan nog wel, zich gaat vergelijken met ‘die daar’, met de ‘rest van de mensen’, dat wil zeggen: alle anderen buiten zichzelf om.

Het komt niet bij hem op dat hij zelf ook maar iets fout zou kunnen doen; net zo min als het zijn inziens ook maar enigszins mogelijk is dat ‘die daar’ dat iemand anders ook maar één enkele goede eigenschap zou bezitten.

Jezus noemt  zo over jezelf denken: je verheffen, zelfoverschatting. Dát is een – eigen gerechtigheid – die haaks staat op Gods gerechtigheid en daartoe schetst Jezus ons deze situatie die de binnenste laag van de mens raakt: je innigste relatie met God waarvan het gebed een uiting, ja de vertaling is. De tragiek van de farizeeër zit in zijn grondhouding: hij is zelfgenoegzaam. Er is bij deze man geen ruimte meer voor ontvankelijkheid. Hij is vol van zichzelf. Zijn zelfverheffing  zou je kunnen zeggen verdrijft de adem van de heilige Geest. Zijn gebed dringt niet door de wolken heen. Het staat niet met zoveel woorden in de parabel want zowel de een als de ander in de parabel spreekt ‘bij zichzelf’. Nu is dit spreken in deze nog meer een kwestie van aanvoelen. Je hoeft niet altijd woorden te gebruiken maar soms voel je aan door de lichaamstaal wat mensen vinden en over je denken. De tollenaar blijft op afstand: wij zien hem als het ware ineenschrompelen in aanwezigheid van  het morele zwaargewicht van de Wet voor zich en krimpt ineen en durft zijn ogen niet eens op te slaan naar de hemel, naar God. En andersom zien we de farizeeër nog een stuk groeien als hij de nietigheid van de ander opsnuift. Hebben we geen gelijk als we bij ons zelf zeggen: maar goed dat we niet zijn zoals die farizeeër. Met andere woorden: we hebben toch gelijk als we de mensen die zo over anderen denken minachten? Nee, zegt Jezus ons. Het is kwaad en zondig. De slechtheid mag je verachten maar nooit de mens, wie hij ook  moge zijn, niet de  tollenaar maar ook niet de Farizeeër. Want dan zijn we geen haar beter dan zij. Het evangelie reikt  ons de hand en wijst ons de weg om tot een zuivere levenshouding te komen die God behaagt. Immers de parabel begon toch met de zin: “twee mensen gingen op naar de tempel om te bidden”. Welnu als ons gebed ook maar een zweem vertoont van zelfverheerlijking of grootspraak of van een zekere minachting over anderen dan is het geen gebed meer omdat God niet anders kan dan onze verdiensten erkennen en belonen.. De manier van bidden tekent de mens tot in zijn diepste zijn. Daarom besluit Jezus ook de parabel met de woorden: al wie zich verheft, zal vernederd en wie zich vernedert zal verheven worden. Ons gebed is niet alleen de weg naar God maar ook naar de mens naast ons. En dat laat Jezus niet los: die stap naar de ander toe die mensen niet gezet krijgen: de stap namelijk vanuit zichzelf, van jezelf weg naar de ander toe; de stap van verdraagzaamheid, waardering, begrip, dienstbaarheid. Kortom de stap naar de naastenliefde, de caritas. Waarom zo mogen we ons vragen heeft Jezus zo’n liefde voor de tollenaar? Toch niet om wat hij deed? Zou het niet zijn omdat niemand hem graag zag en juist daarom zo broodnodig zijn liefde nodig had en wel om zich om op te tillen tot omkeer en geloof in de barmhartigheid? Met Jezus naam als christenen is dat ook onze weg voor en naar elkaar in Gods Naam. Het is onze missie om God een stem te geven in onze wereld: dienend als Zijn Zoon.
Amen.

br. 

Scroll naar boven